Aanvullingen en correcties zijn welkom.
Bekbok – Koeienschouw
Foto's en informatie: P.J. en H. van der Post, T van der Plas, de
familie S v.d. Star, van Heemsbergen en de familie Bisschop. Van niet
alle foto's hebben we de fotograaf of rechthebbende
kunnen achterhalen. Dezen worden daarom verzocht zich te melden.

Het vervoer van en naar de weilanden ging in het Zuid-Hollandse laagveengebied lange tijd voornamelijk over water.
Hier vaart een
Bekbok vol koeien langs de boerderijen.
Inzender Foto: P.J. van der Post. (
groter formaat)
Rond 1900 ontstond in de regio Leiden een stalen
veeschuit van circa 14
meter lang en 2,5m breed. Het
laadvermogen bedroeg ongeveer 15 ton.
Opvallend bij deze schepen was het
voorschip waarlangs
het vee aan en van boord ging. Deze schepen hadden een platte
voorsteven, eigenlijk
een
voorbord waarvan een deel uitneembaar was,
via deze opening kwamen de dieren in en uit de
Bekbok.
Deze schepen vervoerden echter niet alleen vee tussen de verschillende weilanden, zevervoerden ook het hooi.
Tevens vormden ze ook een belangrijke schakel met de veemarkten. Eerst voornamelijk die in Leiden en Haarlem, maar later
toen de schepen gemotoriseerd werden ook Woerden en Purmerend. Onder de werven die ze bouwden bevonden zich
Boot (Leiden en Alphen) en van Lent (De Kaag), maar er waren ook veel plaatselijke werfjes
die zich met de bouw van dergelijke vaartuigen bezig hielden.

Een bekbok bleek zich, op mooie zomers dagen, ook wel te lenen als rondvaartboot.
Inzender Foto: P.J. van der Post. (
groter formaat)

Een fotopostkaart uitgever vond een portret van een molen met een bekbok mooi genoeg om hem in zijn of haar collectie op te nemen.
Fragment postkaart. Uitgever onbekend. Inzender: P.J. van der Post.
De gemotoriseerde versies van deze schepen hadden een verhoogd
achterdekje of een
klein
roefje wat als onderkomen kon dienen, daarvoor dan een soort
stuurkuip met daarvoor dan weer een
machinekamertje. De motorscheepjes voeren met de voor die tijd bekende merken
gloeikop- of
petroleummotoren,
zoals van Rennes, Kromhout, Industrie, Deutz. Het vermogen bedroeg meestal een tien tot dertog pk. Wat gezien de mankracht waarmee men het voorheen moest doen een hele voortuitgang te weeg bracht.
De familie Star uit Hoogmade verplaatste zich met een 10pk Neufeldt Und Künkhe. De bediening van motor en roer bevond zich tussen de twee opbouwtjes.
De brug tussen wal en schip waarlangs de koeien aan boord kwamen was van stevige makelij en vaak aan weerszijden
voorzien van een stevig hekwerk. Tussen de
buikdenning in het
schip en de opening in de
kop lag eveneens een schuin oplopend plankier. De opening in het voorschip kon met een los stalen schotje, vergelijkbaar met een
laadpoort op de
beurtschepen afgesloten worden.

De kraam die over het ruim gebouwd is, maakt het mogelijk om op aanvaardbare wijze bij het voorschip te komen.
Bovendien biedt het de mogelijkheid wat extra lading mee te nemen of de dieren voor sterke zon of hagelbuien te beschutten.
Inzender Foto: P.J. van der Post. (
groter formaat)
Het vee stond dwarsscheeps opgesteld. Aan de spanten waren ongeveer op halve hoogte
ringen bevestigd waaraan het vee vastgebonden kon worden. De breedte van de schepen, zo
rond de tweeëneenhalve meter, was daar min of meer op afgestemd. Bij bredere
schepen plaatste men soms een koe dwars achter de anderen. Dit was echter niet zo een succes
omdat deze koe door de anderen bevuild werd en daar waren de afnemers meestal niet van gediend.
Met behulp van houten constructies die men op de buitenrand, het
bestek,
plaatste kon men, vooral bij het vervoer van klein vee, zoals schapen nog wat extra, niet al te zware, lading meenemen.

Schip dwars in het
vaarwater met de
kop op de kant opdat de koeien van boord kunnen wandelen.
Inzender Foto: P.J. van der Post. (
groter formaat)
Naar men zegt stelde men de koeien liefst om en om op. Koeien kunnen echter
flink eigenwijs zijn, waardoor men op de foto's geregeld ook afwijkende opstellingen ziet.
Voor het inschepen en het ontschepen moet het vaartuig vrijwel haaks tegen
een oever, dus bijna dwars in de vaart moeten liggen. De vaart zal dus ter plekke voldoende breed moeten zijn.
Het probleem doet zich niet voor wanneer men de kop tegen een dam of een landtong kan komen. De samenkomsten van meerdere
vaarwaters boden vaak ook wat meer ruimte. Maar niet altijd was elk stuk oever geschikt om daar met een stel koeien aan land te gaan.
In het landelijk gebied waren de oevers laag en schoof de voorsteven met de laadpoort tot boven het land.
Met de koebrug werd het hoogteverschil tussen land en schip overwonnen.
Ook bij de markt aangekomen lag men vaak dwars. Op die wijze konden meerdere schepen
tegelijk laden en lossen en was men continu bereikbaar. Kades konden echter wel eens hoger zijn
dan de kop van de bekbok. Men moest er dan voor zorgen iets met de kop uit de wal te blijven.

Bekbokken aan de kade te Rotterdam.
foto archief LVBHB.(
groter formaat)
Bij het vervoer van en naar de markt ontstond niet alleen de behoefte
aan meer beschutting voor het vee, ook zocht men naar betere
mogelijkheden lading boven het vee te stouwen. Op deze oude foto van
een paar schuiten bij de veemarkt zien we dat de schepen
tot
pak- of tentschuiten
omgebouwd zijn. Edoch; schijn bedriegt. Het linker schip lijkt mij geen bekbok, maar een pak- of tentschuit
omgebouwd tot bekbok. De tent is lager, het berghout dikker, zeeg en holte groter.
Er lijken meer van deze omgebouwde pakschuiten bestaan te hebben, waardoor het lastiger
wordt de types van elkaar gescheiden te houden.
De koeienbruggen zijn hier ook duidelijk zichtbaar aanwezig.
Met het vervoer van lading en de marktbezoeken werd het een druk bestaan,
dat men moeilijk naast het dagelijkse boerenbedrijf kon uitvoeren. Daardoor was er voor de plaatselijke schippers
een gelegenheid, hiermede de kost te verdienen. Tot de families die zich met dit soort
vervoer bezig hielden behoorden ondermeer de familie van Staveren uit
Oude Wetering, familie Klerks uit Nieuwe Wetering, van de Velde uit
Koudekerk aan de Rijn en familie Bax uit Rijpwetering.

Een mooi voorbeeld van een als motorschip gebouwde 'koeienschouw'.
Zoals men ziet heeft het model al een verandering ondergaan. Onder meer heeft het
berghout
meer volume gekregen en is het
boeisel aanmerkelijk smaller geworden.
Inzender Foto: P.J. van der Post. (
groter formaat)
Een bekbok met een
motorschepenkont
en roefje. Het bestek is opgehoogd met een soort
steekleer waarover men
dan balkjes/
bintjes legt.
Door daar weer een
loopplank/
waring op te leggen, kon men, terwijl het
ruim
vol stond met goederen of materialen toch van het voor- naar het
achterschip. Buiten
het drukke seizoen hield men zich met allerhande vormen van vervoer
bezig. In de zomermaanden vervoerde men veelal hoge
deklasten hooi. Het
liggende haspel werd dan omhoog gebracht en men stond op de roef te
sturen.
Men moest 'smorgens al
vroeg op de veemarkten zijn en dat betekende dat de boeren 'snachts al
de koeien, die in allervroegte opgehaald werden, gereed moest zetten.
Na de markt werd het eventueel gekochte vee weer meegenomen en bij de
desbetreffende boeren afgeleverd. Men had aan boord van de
verbouwde schepen de mogelijkheid te overnachten, zodat er ook vee naar
verder gelegen bestemming gebracht of daar vandaan gehaald kon worden.
Het roefje was echter wel zeer spartaans uitgevoerd. Bij het vervoer
van vee voer men vaak met voorkant open. Bij andere ladingen werd er
een stalen of houten schot geplaatst en zo nodig werd er voor de kop
langs een kleedje getrokken om verdere lekage te voorkomen. Voor in het
ruim plaatste men eventueel een dwarsscheeps schot om bij belading het
zwaartepunt voldoende ver naar achter te kunnen houden.

De lange gestrekte bouw van dit type vaartuig komt op deze foto goed tot
zijn recht.
Inzender Foto: P.J. van der Post. (
groter formaat)

De zelfde bekbok in een winters landschap. Goed is hier de opening in de voorsteven te zien.
Inzender Foto: P.J. van der Post. (
groter formaat)
Naar mate het wegvervoer belangrijker wordt, verdwijnt een belangrijk deel
van de inkomsten voor de schipper. Door zekere aanpassingen van het
schip probeert men in de
beurtvaart nog een
inkomen te verwerven. De voorzijde van de schuiten worden netjes dichtgemaakt en er wordt een voordek
gelegd. Over het ruim wordt een
tent geplaatst.
De bekbok is daardoor een echt vrachtscheepje geworden. De beurtvaart was eind jaren vijftig sterk op zijn retour
en de winter van '62-'63 betekende voor veel beurtvaartondernemers de genade klap. De overige kleine vrachtvaart
werd tegen het einde van de jaren zestig langzamerhand weggesaneerd.

De tent van een tot 'pakschuit' omgebouwde 'motorbekbok'.
Het berghout is te iel voor een pakschuit, het boeisel te laag voor een bekbok.
Inzender: Berrie van Roest.

Deze schuit heeft een fraaie
motorschepenkont. De lengte wordt geschat op ruim 19 meter bij zo rond de drie-vijftien.
Het
roefje begint al bruikbare afmetingen te krijgen. Men stuurt, staande op het
brugdek
voor het roefje, met een liggend
haspel.
Inzender Foto: Berrie van Roest.
Over de levensloop van de individuele scheepjes op dit formaat is weinig bekend.
De bouwlijsten van de werven waarop ze vermeld zouden kunnen zijn, zijn meestal verdwenen. De scheepjes werden
zelden officieel gemeten en bovendien zijn de omschrijvingen in de
liggers van de
meetdiensten vaak weinig
adequaat, zodat men moeilijk kan bepalen om welk scheepstype het werkelijk gaat.
Ook het
brandmerk ontbreekt bijna altijd. Men leende het benodigde geld bij
particulieren, waardoor registratie bij het
hypotheekkantoor
(kadaster) niet noodzakelijk was.

Waarschijnlijk het zelfde scheepje als hier boven. Goed is te zien dat de laadpoort in de voorkant wat klein is vergeleken met de traditionele bekbok.
Inzender Foto: Berrie van Roest.
Na hun werkzame bestaan werden een redelijk aantal van dit soort schuitjes omgebouwd tot
weekendscheepje. Met het toenemen van de welvaart raakten veel van deze
eigen bouwsels echter ook weer in onbruik. Ook de voortschrijdende
ouderdom van de scheepjes en het daarmee gepaard gaande onderhoud
speelde daarbij natuurlijk een grote rol. Toch hebben enkele exemplaren
tot op de dag van vandaag een liefhebber kunnen vinden en kan men hier
en daar dit opmerkelijke scheepstype nog in levende lijve zien of er
zelfs in meevaren.

Voor de pleziervaart werden al vroeg ook bekbokken ingeschakeld.
Een oude met gras begroeide loopbrug wordt
voor de passagiers van deze
bekbok in gereedheid gebracht.
Inzender Foto: P.J. van der Post. (
groter formaat)

Voorzien van een eenvoudige rechthoekige houten opbouw is het vaartuig
uitstekend geschikt om een weekendje mee op stap te gaan.
Inzender Foto: P.J. van der Post. (
groter formaat)

Een enkele bekbok heeft, in aangepaste vorm,
weer emplooi gevonden bij plaatselijk
rondvaartbedrijf.
Inzender Foto: P.J. van der Post.

Een kruising van tentschuit en bekbok op de Amstel te Amsterdam.
Fotograaf W.C. Ladiges(1895-1956), Amstel 1930,
Bron Archief Amsterdam nr. ANWA00110000001. (
groter formaat)
Sitemap
© 1997-heden; Pieter Klein, Amsterdam of de rechthebbenden van de opgenomen tekst- en afbeeldingsbestanden
De rechthebbenden kunnen niet aansprakelijk gesteld worden voor de gevolgen van het gebruik van deze site,
noch voor de gevolgen van het gebruik van de in deze site opgenomen links!
Deze site gebruikt cookies!
Zonder toestemming vooraf, is gehele of gedeeltelijke overname van enig deel uit 'Binnenvaarttaal' verboden!
Veel inzenders zullen echter een verzoek tot het (her)gebruik van het getoonde materiaal inwilligen. (meer informatie)
Kopieën naar Facebook, Pinterest, en andere doorgeefluiken zijn echter niet toegestaan!
Deze site is geoptimaliseerd voor een resolutie van 1024x768 px.,
U wordt verzocht eventuele gebreken te
melden!
(meer informatie)
Mijn dank gaat uit naar ALLEN, die mij met deze site helpen of geholpen hebben.
Pieter Klein:
Redacteur, auteur, ontwerper en webmaster.