Aanvullingen en correcties zijn welkom.
Woordenlijst Lap
~
lap:
1> zeildoeken versteviging op het
zeil. Soms ook
dubbeling genoemd. Zie ook
bout en:
tussenlap,
buitenlap,
halslap,
neklap,
noklap,
rijerlap,
schootlap,
klauwlap.
2> een
zeil in het algemeen.
3> verkorting van
draaglap; een grote
roeispaan.
4> verkorting van 'overlap' in de zin van een zijdelingse overlapping van twee staalplaten als vervanging van een
stuiklas op die plaats.
Bron: Th. Volmer Constructie en bouw van schepen voor de binnenvaart. 1928.
Gerelateerde term:
land.
~
lappen:
het aanbrengen van
zeildoeken verstevigingen op het
zeil. Ook
oplappen genoemd.
~
lapzalven:
1> staaldraad met behulp van een doek o.i.d. invetten.
Bron: F.R.Loomeijer: Met zeil en Treil, de tjalk in de binnen- en buitenvaart. Uitg. Alk, Alkmaar. 2de druk 1999 | Weekblad Schuttevaer, 07-09-1935.
2> op het
staande want, met behulp van een doek o.i.d.,
harpuis, bruine of zwarte
teer of één of ander mengsel, aanbrengen.
De doek die men voor het lapzalven gebruikt noemt men de smeerlap.
~
laring:
soort planken vloer of vlonder. Zie verder bij
laning.
~
larvennet:
klein zakvormig
visnet, hoofdzakelijk voor
visserijonderzoek gebruikt.
Bron: De Visscherman en zijn werk, Peter F. Anson en H. de Booy, 1934 Amsterdam. Via delpher.nl.
Rapport over onderzoekingen betreffende de visscherij in de Zuiderzee ingesteld in de jaren 1905 en 1906, Dr. H.C. Redeke, Ministerie van Landbouw, Nijverheid en Handel, 's-Gravenhage, 1907.
~
lasaggregaat:
aggregaat, dat een, voor het electrisch lassen, geschikte spanning en stroom kan leveren.
~
lasbak:
vermoedelijk een
ponton of open
schuit met lasinrichting.
~
lasboot:
motorvaartuig ondermeer voorzien van een (las)generator zodat men electrisch kan lassen.
Gerelateerde termen:
motorlasboot,
lasbak,
lasponton,
lasschip,
enz.
~
Lashbak:
soort van kleine
duwbak.
Afmetingen: ca. 19 x 9,5 x 2,65 m. Ongeveer 370 ton groot. [
Afbeelding]
Bron: M.L. en R. de Koter, Binnenvaart in beeld, Uitg. De Alk, Alkmaar 1996.
Gerelateerde termen:
Lighter Aboard Ship (lash),
kopbak,
BaCobak.
~
lashoekstaal:
kort stuk hoeklijn/hoekstaal dat gebruikt wordt om twee einden hoekstaal met elkaar te verbinden. Een lashoekstaal wordt bij klinkverbindingen gebruikt en is meestal zolang dat er men er 8 a 10 klinken op kwijt kan.
~
lashuls:
huls die men voor het vormen van lussen en verbindingen staaldraad gebruikt. Zie ook
pershuls.
~
lashulstang:
tang waarmee men pershulzen kan samenpersen. Zie
pershulstang.
~
lasijzer:
1> ijzeren pen (
dook?) of strip (
veer?) om houten delen met elkaar te verbinden.
2> bepaalde maat gesmede 'spijker'. Naar men zegt, gingen er 1000 stuks in 10 (oude) ponden.
Bron: Theoretisch en practisch bouwkundig handboek, Volume 1 door W.C. Brade. 1842. Via Google books.
~
lasijzersboor:
vermoedelijk een soort houten booromslag. Zie verder bij
lasijzer en
klampspijkerboor.
Bron: Nicolaas Witsen, Aeloude en hedendaagsche scheeps-bouw en bestier. 1690.
~
lasplaat:
1> gestraalde staalplaat, die van een speciale laag 'menie' voorzien is.
2> plaat waarmee men twee stuikliggende staalplaten aan elkaar klinkt. Zie verder bij
stuikplaat.
~
lasponton:
ponton ondermeer voorzien van één of meer (las)generatoren zodat men electrisch kan lassen.
Gerelateerde termen:
lasboot,
motorlasboot,
lasbak,
lasschip,
enz.
~
lasschip:
vaartuig ondermeer voorzien van één of meer (las)generatoren zodat men electrisch kan lassen.
Gerelateerde termen:
lasboot,
motorlasboot,
lasbak,
lasponton,
enz.
~
lassen:
eigenlijk: gelijksoortige materialen verbinden. Vaak gebeurt dit door smelten, maar ook bij het werken met hout of bij het klinken spreekt men van lassen. (Zie bijvoorbeeld:
haaklas,
stuiklas).
- In de meeste gevallen bedoelt men het verbinden van metalen door beide materialen oppervlakkig verhitten zodat ze onder toevoeging van extra materiaal in elkaar overvloeien en één geheel gaan vormen. In de binnenvaart vaak tegen over klinken geplaatst.
- In de scheepsbouw heeft men het meestal over autogeen en electrisch lassen. Autogeen lassen gebeurt met gasvormige brandstof en werd reeds in de 19de eeuw bij bepaalde constructies toegepast. Voor scheepsrompen is het niet of weinig gebruikt. Bekend is dat er in de eerste Wereldoorlog enkele Engelse bakken op deze wijze in elkaar gezet zijn.
Electrisch lassen doet rond 1900 zijn in trede in de scheepsbouw. Ook in dit geval gaat het meestal om constructiedelen en ook ketels en tanks. Het lassen van scheepsrompen voor vrachtschepen komt (naar men zegt) tot aan de Tweede Wereldoorlog slechts sporadisch voor. Enige tijd na de oorlog krijgt het toch langzamerhand de over hand om uit eindelijk rond 1960 het klinken (bijna) geheel verdrongen te hebben.
Bronnen: Fragmenten uit diverse publicaties via Delpher.nl (gezocht op (electrisch) lassen of lasschen e.d.).
~
last:
1> datgene wat een
schip vervoert. Gewoonlijk
lading genoemd.
GEBROKEN LAST
,
GEBROKEN LADING
,
GEBROKEN VRACHT
: een lading waarvan een deel overgeslagen is in andere schepen, omdat de huidige
waterdieptes geen schepen met een grote
diepgang toelaten.
Genoemd in; Memoriaal voor de officieren der artillerie en genie, mitsgaders ... door J.D. Doorman, 1820. | De vaandrig van Frederic Hendrik door P. Louwerse, 1890
Zie ook:
soortelijke massa van ladingen,
Oude maten en gewichten + de daar vermelde links.
2a> gewichtsmaat in later tijd meestal gesteld op 2000 kg.
Deze afgeronde eenheid is vermoedelijk pas sinds de Franse tijd gebruikelijk. Daarvoor kende men diverse soorten, vaak plaatselijke, lasten. Deze gewichten kwamen vaak ongeveer overeen met de corresponderende inhoudsmaat 'last'. Zo was de Amsterdamse last (inhoudsmaat) 125 kubieke Amsterdamse voeten (ca. 2,8 m³) en de Amsterdamse Roggelast (gewichtsmaat) 4250 Amsterdamse ponden, hetgeen neerkomt op 2098 kg. Waarbij men dus schijnbaar uitging van rogge met een dichtheid van 74 kg/hl. Meer lasten en ook andere maten zijn te vinden via de ovenbl boven aan deze pagina.
b> ca. 1770 kg = 1/10 Groninger mest. Gewichtsmaat gebruikt bij het vervoer van koemest, beer, e.d.
3> inhoudsmaat:
a> voor schepen: ca. 2837 kubieke decimeter vaak gelijk gesteld met de registerton. De maat werd voor zeegaande schepen nog wel eens gebruikt.
b> voor granen: ca. 2900 kubieke decimeter, maar plaatselijk variabel.
4> 14 tonnetjes of 17 kantjes, haring. Circa 10.000 stuks in aantal en 1600kg zwaar. Meer
haringmaten.
5> datgene wat met behulp van een
takel/hijsinstallatie bewogen wordt.
6> door enkelen gebruikt voor de ruimte tussen de
mast en het
ankerlier.
7> verkorting van
deklast.
DE LAST HEBBEN
: met deklast moeten varen.
DE LAST ZETTEN
: deklast plaatsen.
EEN HOGE LAST HEBBEN
: ver boven de
den hebben moeten laden.
EEN KLEINE LAST
: slechts op een klein gedeelte van de
luikenkap deklast moet zetten.
~
lastaak:
verouderde term voor een
vrachtschip van het type
Aak.
~
lastafel:
tafelachtige, kantelbare, metalen constructie, waarmee kleine, te lassen voorwerpen onder een gunstige hoek opgesteld kunnen worden. [
Afbeelding]
~
lastage:
1> naam van een drassig gebied dat in de 12de-14de eeuw aan de oostzijde buiten de vesting Amsterdam gelegen was en waar, in eerste instantie, ballast voor de zeeschepen geladen, gelost en opgeslagen werd. Vanaf 1387 ontwikkelden zich daar diverse scheepswerven en andere aan de scheepsbouw gerelateerde bedrijven.
De woorden 'lastage' en 'ballastage' werden ook in Engelse publicatie gebruikt.
Bronnen onder meer: Historische beschrijving op theoBakker.net pdf download. | diverse boeken via books.google.nl.
2> oud synoniem voor
scheepstimmerwerf.
Bron: Nicolaas Witsen Aeloude en hedendaegsche Scheepsbouw en bestier 1671, blz. 499 als Lastadie. | Johan Hendrik van Dale, Van Dale's groot woordenboek der Nederlandsche taal. Nijhoff, Sijthoff, 1914. Via Delpher.nl
3> ongebruikelijke term voor
laadvermogen.
De analogie van last en lastage met volt en voltage of met watt en wattage is in het ooglopend.
~
Lastageboot:
14de eeuws
scheepstype?. Geen verdere gegevens bekend.
~
lastageschip:
verouderde term voor
vrachtschip. Zie ook
lastageboot en
lastschip.
~
lastblok:
dat
blok van een
takel, dat zich verplaatst. Zie ook
bovenblok en links:
Diverse termen inzake blokken en takels.
Vaak betreft dat het onderste blok van de takel, vaak is dat een haakblok.
~
lastbreken:
1> een deel van de lading in een ander schip moeten laten vervoeren. Zie ook
lichten en
toelast.
Vooral bij lage waterstanden moest men soms een deel van de lading tijdelijk, tot men op dieper water was, door een ander schip laten vervoeren.
2> volgens sommigen: het overbrengen van (de doorgaande) lading in een ander schip. Ook bekend als
verbodemen.
~
lastbrief:
bewijs dat men zijn
lastgeld (belasting) heeft betaald en aan het binnenlands vrachtverkeer mag deel nemen. Een soort van vervoersvergunning.
De lastbrief werd in 1805 ingevoerd. Wanneer deze weer opgeheven is, is mij nog niet bekend.
De lastbrief en het lastgeld moesten een eind maken aan de diverse plaatselijke en regionale heffingen. Na betaling van het lastgeld kreeg men een nieuwe lastbrief die een jaar geldig was. Schepen die in aanmerking voor een lastbrief wilden komen, moesten geijkt zijn en een ijkbrief=meetbrief kunnen tonen. Er waren verschillende klassen van schepen waarvoor verschillende voorwaarden golden.
~
lastdraad:
staaldraad tussen het
lastblok en datgene wat men hijst; de
last. Ook
lasteind genoemd.
~
lastdrager:
vermoedelijk een soort
dekschuit of aanverwant vaartuig.
Bron: Haagsche Courant, juni 1908.
~
lasteind:
stuk
touw of
staaldraad tussen het
lastblok en de
last. [Links:
Diverse termen betreffende touw]
~
lastgeld:
1a> vroeg 19de eeuwse rijksbelasting die geheven werd over het
laadvermogen van de schepen. Na het betalen van het lastgeld ontving men een
lastbrief voor het volgende belastingjaar. Gerelateerd aan deze belasting zijn het
passage-geld, het
tonnegeld en het
waterpleziergeld.
b> volgens sommige bronnen: een vorm van belasting, geheven over de vervoerde
lading.
Andere bronnen hebben het echter over een soort van havengeld, dus een belasting bepaalt aan de hand van het laadvermogen. Het is daarbij echter niet duidelijk of men een plaatselijke dan wel een landelijke heffing bedoelt.
De term lastgeld wordt ondermeer gebruikt in Het register van Kribgelden in het Inventaris van het Archief van de Commissarissen over de Vaart op den Rijn van het Stadsarchief Amsterdam.
2> vergoeding, die men aan personen, die het
schip laadden, betaalde. Zie ook
laad- of
losgeld.
~
lastgoed:
oude term voor lading waarvan het gewicht de vrachtprijs bepaalt.
Bron: NRC - Nieuwe Rotterdamsche Courant 5 mei 1875. Via marhisdata.nl
~
lastketting:
ketting die gebruikt wordt om de
deklast of
deklading vast te zetten. Naar het schijnt ook
lasttakelketting genoemd.
~
lastklos:
stuk hout waarmee de hoeken van de
deklast of
deklading tegen beschadigingen door de
lastketting, beschermd worden.
~
lastlegger:
persoon, die aangesteld is om de
deklast op een
schip te zetten.
Naar het schijnt onder andere in de vlas- en hooivaart van toepassing geweest.
Ondermeer genoemd in: Weekblad Schuttevaer van 24-02-1917 blz.1 kl.3
Gerelateerde term:
lastzetter.
~
lastlijn:
de
waterlijn van het
schip in
afgeladen toestand. De term wordt in de
binnenvaart niet vaak gebruikt.
~
lastmeting:
het bepalen van de vervoerde
lading, door de inhoud van de lading, terwijl deze nog in het
ruim is, te meten.
~
lastschip:
verouderde term voor
vrachtschip.
Mogelijk een verkorting van
Lastageschip of
lastageboot.
~
lasttakel:
takel of
naaiing waarmee men de
lastketting van de
deklast strak zet.
Bron: Weekblad Schuttevaer 11-03-1944. Via Delpher.
~
lasttakelblok:
elk der
blokken waarmee men een
lasttakel samenstelt.
In een lezing stelt G.J. Schutten dat lasttakels gemaakt worden met vioolblokken. Vervolgens stelt hij tevens dat hiervoor ook drieschijfsblokken gebruikt werden.
~
lasttakelketting:
ketting waarmee de
deklast gesjord wordt. Gewoonlijk
lastketting genoemd..
~
lastvoerder:
verouderde term voor vrachtschip.
Nicolaas Witsen Aeloude en hedendaegsche Scheepsbouw en bestier. 1671/1691.
~
lastzetten:
het op een bepaalde wijze laden en plaatsen van dat gedeelte van de lading dat niet in het
ruim past.
~
lastzetter:
persoon, die aangewezen is om de
deklast te stuwen
Gerelateerde term:
lastlegger,
lastzetter.
~
laswacht:
iemand, die tijdens laswerkzaamheden, het ontstaan van brandjes, binnen in het schip, moet voorkomen.
~
lateraalkanaal:
kanaal dat evenwijdig aan een ander (meestal minder goed
bevaarbaar) water loopt.
~
lateraaloppervlak:
het grootste oppervlak van het
onderwaterschip, van een verticale doorsnede van de romp, die evenwijdig aan de
vaarrichting ligt. Zie verder bij
lateraalvlak.
~
lateraalstelsel:
verzameling regels volgens welk
bakens en
boeien geplaatst worden. Ook
lateraalsysteem genoemd. Bij dit stelsel wordt het
bevaarbare water door middel tonnen/boeien/bakens die aan weerskanten van het vaarwater geplaatst zijn aangegeven. Wordt een zijde van het vaarwater gevormd door een oever of iets dergelijks dan ontbreken aan die zijde de tonnen meestal. De meeste
vaarwateren zijn volgens laterale stelsel bebakend. Zie ook tekst:
Betonning en bebakening en links:
Diverse termen inzake de bebakening.
Het lateraal stelsel kent een hoofdbebakening (voor alle scheepvaart) en een aanvullende bebakening (voor bepaalde categorieën). Behalve van het lateraalstelsel wordt, waar nodig, ook gebruik gemaakt van het kardinaalstelsel.
~
lateraalvlak:
het oppervlak van de verticale,
langsscheepse, doorsnede van het
onderwaterschip (meestal op de hartlijn van het schip genomen). Ook
lateraaloppervlak genoemd. Het lateraalvlak is in hoge mate bepalend voor de
drift van een
schip.
~
latijns-zeil:
driehoekig grootzeil met een korte mast en een lange ra die de schuine zijde van de liggende driehoek vormt. Zie verder bij
latijnzeil.
~
latijnzeil:
1> zeil in de vorm van een liggende scherphoekige driehoek, waarvan de scherpste hoek een eind voorbij de, vrij korte,
mast steekt. Ook bekend als
latijnszeil en
bezaan.
'Latijnzeil' en 'Latijnszeil' genoemd in: van Dale, handwoordenboek der Nederlandsche taal, Nijhoff,1948, via delpher.nl
2> driehoekig zeil waarvan het
lijk van de schuine zijde met een sterk achteroverhellende mast verbonden is. Een betere benaming is
roedezeil.
Dus min of meer als het voorgaande, maar dan zonder mast.
~
lattenkaar:
kaar die geen geperforeerde borden, maar een traliewerk van dicht naast elkaar geplaatste latjes gebruikt.
Genoemd in: Dr. Th. H. van Doorn, Terminologie van Riviervissers in Nederland.
~
latzak:
in het
achterlijk van een
zeil aangebrachte verdubbeling waarin de
zeillat geschoven kan worden. Eigenlijk
zeillatzak geheten.
Voor zover bekend in de beroepsvaart niet of anders toch hoogst zelden gebruikt.
~
Lauenburger:
scheepstype; bepaald type schip gebouwd op de
werf J.G. Hitzler in Lauenburg waartoe onder andere een aantal schepen van de rederij Damco behoren. De schepen zijn (over het algemeen) tussen ca. 1955 en 1960 gebouwd; rond de 620 ton groot;
voorsteven licht vooroverhellend, onder scherp, boven afgerond; geringe
zeeg;
achterschip geveegd maar enigszins
vol, met een duidelijke knik op de
achtersteven.
~
Lauertanne:
Duits open houten vrachtschip, ca. 20 tot 40 ton groot, 12 tot 15 meter lang. Zie verder bij
Loerdenne.
~
laveren:
door dan eens over de ene
boeg en dan weer over de andere, scherp aan de
wind te
zeilen, een traject, dat min of meer tegen de wind in ligt, afleggen. Ook
opwerken,
opkloppen,
klappen,
kruisen of
boegkruisen genoemd. [
Uitdrukkingen]
De termen opkloppen, opwerken en (boeg)kruisen zijn in onbruik geraakt.
Bron o.a.: Johan Hendrik van Dale, Van Dale's groot woordenboek der Nederlandsche taal. Nijhoff, Sijthoff, 1914. Via Delpher.nl
Gerelateerde termen:
inkloppen,
oplaveren,
slag,
slagboeg,
strekboeg,
overstag gaan.
~
lawerlijn:
lijn vanaf het
voordek van de
botter naar een
blok aan het knooppunt van
voortouw en spruit, en vandaar weer terug aan
boord. Met de lawer- of
luilijn wordt de
dwarskuil, wanneer deze
binnengehaald wordt, naar het schip getrokken. Zie ook links:
Diverse termen inzake het vistuig.
Bron: Peter Dorleijn, Van gaand en staand want, deel 2. Marken, Uitg. Van Kampen & zn, 1982.
~
lazy-jack:
Engelse term voor een aantal touwen, die de
zeilen bij het
strijken boven de
giek houden. Eertijds mogelijk
slaglijnen geheten. In de Nederlandse
binnenvaart, behalve door
schepen van de
Bruine-vloot, niet gebruikt. [
Afbeelding]
~
L-drive:
voortstuwingssysteem met verticaal geplaatste (electro- of hydraulische) motor. Soms toegepast voor
boeg- en
hekschroeven. Zie ook
pod-drive.
~
ledenmal:
uit, aan elkaar geklonken strookjes metaal bestaande strook, die als buigmal gebruikt kon worden.
De ledenmal werd gebruikt om een bepaalde vorm van een bestaand deel over te nemen. Na het uitvouwen van de leden kreeg men een lange strip, die men met de dunne kant haaks tegen de gewenste plaats zette. Vervolgens duwde men de leden in de vorm van het onderliggende object.
~
ledig:
LEDIG SCHIP
: het
schip met alle uitrusting, die voor het
varen noodzakelijk is, aan
boord en met alle brandstof- en
watertanks gevuld, enz. enz. maar zonder enige
lading.
LEDIGE WATERLIJN
: niet al te fraai Nederlands voor de
waterlijn bij ledig schip. Soms ook
leegwaterlijn of
legelastlijn genoemd. De termen ledig schip en ledige
waterlijn worden voornamelijk gebruikt voor
vrachtschepen.
~
led-lantaarn:
navigatielicht met leds als lichtbron.
Op het moment van schrijven (begin 2010) zijn er alleen goedgekeurde lantaarns voor schepen tot 50 meter verkrijgbaar. Verder zijn alleen de lantaarns van lichtbakens soms van led-verlichting voorzien. Er bestaan twee systemen; die waarbij de leds in compacte groep, dus min of meer als lichtstaaf in het lantaarnhuis gemonteerd zijn en lichten waarbij de leds in één of meerdere kransen langs de omtrek van de lantaarn liggen. Anno 2024 is er echter een breed assortiment aan led-lichten verkrijgbaar.
~
lee:
1> gegraven waterloop.
Gerelateerde termen:
laak,
greft,
vaart,
delf.
2> nagenoeg stilstaand natuurlijk water. Ook als
lei,
liede of
leije bekend.
Bron: Wegwijzer voor de binnenscheepvaart Deel 1, 1922.
~
leefkaar:
1> drijvende of in het water opgehangen visbewaarplaats. Zie verder bij
kaar.
2> grote, van tenen gevlochten korven, met nauwe, afsluitbare bovenkant, die in het water gehangen kunnen worden om de vis, tot deze verhandeld wordt, levend te houden.
Dit soort manden ziet men reeds in zeer oude prenten en zijn tot begin twintigste eeuw in gebruik geweest.
Genoemd en afgebeeld in Peter Dorleijn, Van gaand en staand want, deel 3. Huizen, Uitg. Van Kampen & zn, 1982.
~
leefnet:
fijnmazig visnet, waarin gevangen vis levend bewaard wordt.
~
leeghozen:
met een hol voorwerp een vaartuig leeg scheppen. Zie verder bij
hozen.
~
leegvlot:
de
diepgang bij
ledig schip.
~
leegwaterlijn:
lelijk Nederlands voor de waterlijn bij
ledig schip.
~
leek:
1> (grensvormende) waterloop. Soms ook een beekje. Zie bij
laak.
2> Vlaams voor de kortste horizontale of verticale afstand tussen twee punten van het schip. Ook
leekmaat genoemd.
De term wordt bij Maurice Kaak in het boek Vlaamse & Brabantse binnenschepen genoemd. Hij geeft een iets afwijkende verklaring waarbij hij min of meer stelt dat het voornamelijk om de afstand tussen vlak en onderkant berghout gaat of (in mindere mate) de inwendige breedte van het schip ter hoogte van de bovenkant van de kim of ter hoogte van de onderzijde van het berghout.
3> niet bekend. Vlaamse term die verband houdt met een bouwstadium van het schip. (in de leek staan)
Ook wordt in dit verband nog de term leekplank genoemd.
4> dialect vorm voor
lijk, waarmee in dit geval de
ondersim van een
visnet bedoelt wordt.
Bron: Peter Dorleijn, Van gaand en staand want, deel 2. Marken, Uitg. Van Kampen & zn, 1982.
~
leekplank:
Vlaamse term die verband houdt met een bouwstadium van het schip. Verder niet bekend. Zie ook
leek.
~
Leenmansroef:
bepaald
roefontwerp, dat, door de firma Leenmans, bij de modernisering van veel
sleepboten gebruikt werd.
[
Afbeelding]
~
Leerdamse Stoomboot Maatschappij:
Maatschappij die tussen 1863-1936 een dienst tussen: Geldermalsen, Leerdam, Gorkum, Dordrecht en Rotterdam onderhield.
~
leerling:
mogelijk jeugdige onervaren
knecht. Deze lijkt een lagere positie dan de
scheepsjongen te hebben.
O.a. genoemd in: De nieuwe wetgeving op de Rijnvaart van 1869.
~
leerlingloods:
een
loods in opleiding.
~
leerloods:
een
loods die een
leerlingloods opleidt.
~
leest:
1> platliggend, in een bocht lopend
deel in het verlengde van de
knoeselplank. De leesten vormen de buitenste randen van het
vlak aan
kop en
kont bij Vlaamse schepen met hoekige
kimmen.
2> PLATTE LEEST
: stuk hout als verbinding tussen de achtereinden van de
zijdes van de
statie op houten Vlaamse schepen. Zie ook
maststoel,
mastdoft en
hakkebord.
~
Leeuwarder Stoomboot Maatschappij:
In 1898 opgerichte beurtvaartonderneming (schepen: Stânfries I en II) in 1912, na een fusie opgegaan in de "Nieuwe Leeuwarder Stoomboot Maatschappij". Zie ook bij
Stanfries.
~
Leeuwense vlet:
stalen
vlet, ondermeer gebruikt voor
opdrukkers en als
schippersvlet. Ook
Leeuwenvlet genoemd. Deze schippersvlet onderscheidt zich van veel andere vletten door een
berghoutje of eigenlijk een
beuling iets onder de bovenrand (
dolboom?). Deze loopt TOT de
stevenplaat door. De vlet heeft een vrij kleine
scheg met zijdelingse steunen, een vrij diepe
spiegel die bijna cirkelvormig is en
roeidollen die weggeklapt kunnen worden. Het deksel van de
luchtkisten is meestal ovaal en zit met een soort van knevel of anders met vier beugels vast.
Naar het schijnt onderscheidt men de 'Beneden-Leeuwen' en de 'Boven-Leeuwen' vlet. De beneden-leeuwenvlet werd gebouwd door de Gebroeders Leeuwen aldaar, die hun bedrijf tot in het begin van de jaren '80 uitoefenden. Sommigen noemen echter de Gebroeders Willems.
~
Leeuwenvlet:
stalen schippersvlet. Zie verder bij
Leeuwense vlet.
~
leeuwerikskop:
bepaalde
steek, vooral gebruikt om
touw aan een glad rond voorwerp of een ring, vast te zetten.
~
leg:
het éénmaal laten zakken en weer ophalen van bepaalde soorten
visnetten.
~
legakker:
bij het vervenen overgelaten, tussen de
petgaten gelegen, smalle, strook land. Ook
ribbe genoemd.
Een dergelijke strook was ca. 6 meter breed en kon honderden meters lang zijn. Hierop werd het opgebaggerde veen te drogen gelegd en tot turven verwerkt. Nadat een ribbe in onbruik geraakte, kregen water en wind vrij spel en verdwenen grote delen land in het water.
~
leger:
verouderde spelling van lager (inrichting om wrijving te verminderen).
Berustte dit op een zetfout misschien? Helaas kan ik de bron niet meer achterhalen.
~
legger:
1a> 'vaartuig' dat tot opslag van goederen en materialen en in het algemeen niet voor transportdoeleinden gebruikt wordt. Gerelateerde term:
waterlegger.
In de zeehavens werden leggers veelvuldig gebruikt om werkzaamheden aan de schepen te kunnen uitvoeren.
Bron o.a.: Mr. J. van Lennep Zeemanswoordenboek 1856.
b>
drijvende rechthoekige bak, die grotendeels door een groot formaat
visbun in beslag genomen wordt. Ook
vislegger of
kaar genoemd. Leggers waren meestal met behulp van palen een eind uit de
oever verankerd. Vergelijk
kaarvlot.
c> eenvoudig (rechthoekig) vaartuig dat tijdens het onderhoud aan zeeschepen voor dit doel of tot berging van materialen uit het schip, langszij of nabij deze is afgemeerd. (Verouderd, 17de eeuws, begrip.)
2a>
bij houten schepen: houten dwarscheepse verbinding aan de de binnenzijde van het
vlak, lopende van
kim tot kim.
Bron: F.R.Loomeijer: Met zeil en Treil, de tjalk in de binnen- en buitenvaart. Uitg. Alk, Alkmaar. 2de druk 1999 | J. Ploeg, Bezanen en Gaffelaars. Uitg. Lanasta. Emmen 2008.
- Ook
ligger en in meer specifieke gevallen
vlakklamp,
vlakspant,
wrang,
nobel,
platte korve of
buikstuk genoemd.
De legger vormt samen met de aansluitende
oplangers een
spant. [
Afbeelding houten legger]
Gerelateerde termen:
band,
dwarsdubbeling,
dwarsklampen,
kooiband/pannekoekslegger,
kussen,
kussing,
pompgatlegger,
propwrang,
sponningslegger,
teenwrang,
enz.
In het Vlaamse taalgebied schijnt men leggers te reserveren voor de dwarsverbanden in het onderste deel van de ronding van kop en kont. De leggers op het platte deel van het vlak noemt men aldaar wrangen.
Bron: Maurice Kaak.
b>
bij stalen schepen: dwarsscheepse constructie lopende van kim tot kim,
meestal opgebouwd uit een vlakspant, wrang en
tegenspant(tophoekstaal) of
keerspant.
Geregeld spreekt men echter van
wrang of
vlakspant; eigenlijk dus een pars prototo en ook noemt men het wel het
kattespoor.
3a> horizontaal deel dat samen met de
staanders het
raam van een
raamkuil vormt.
b> kuilhout/kuilboom van een
ankerkuil of aanverwant
vistuig.
4> groot watervat (aan boord van zeeschepen?). Inhoud 500, 750 of 1000 Nederlandse kannen.
Bron: Historische woordenboeken op gtb.ivdnt.org. Met een kan is vermoedelijk iets meer dan 1,5 liter gemeend. (Er waren nog andere maten in omloop met de naam kan) Bron: vanadovv.
5> soort houten ponton dat tot berging van drinkwater dient. Zie
waterlegger.
6> wachtsman op een
opgelegd schip.
7> soms gebruikt in plaats van het woord
ligger wanneer men het over de liggers van de
scheepsmeetdienst heeft.
~
leggerknie:
combinatie van een
legger en een
kimknie. Dit onderdeel wordt meestal gebruikt om
gepaarde kromhouten samen te stellen. (Zie afbeelding hiernaast.)
De legger is meestal gevormd door een van de stam, terwijl het verticale deel dan een tak is. Omgekeerd lijkt echter ook voor te komen. Het staande deel is in dat geval dikker dan de legger.
Deze bouwvorm werd vanaf de Romeinse tijd(?) tot in de 11de eeuw gebruikt.
~
legkubbe:
plaatselijke term voor een kubbe die voornamelijk op beschut water (grachten en vaarten) gebruikt werd. Zie ook
kubbe en links:
Diverse termen inzake het vistuig.
Bron: Peter Dorleijn, Van gaand en staand want, deel 4 Elburg. Van Kampen & zn, 1982.
~
legplaats:
verouderde term voor ligplaats. (Misschien nu (2022) wel weer in zwang?)
Aangetroffen in Staatsblad nr 2 uit 1851 bevattende het Rijnvaart Politiereglement.
~
legschip:
vermoedelijk bedoelt men een
lichterschip.
Term aangetroffen in de liggers van de meetdiensten. Meetbrief H1814N.
~
leguaan:
lang worstvormig knoopwerk, dat in horizontale richting rond de
voorsteven ligt. Ook bekend als
neuswaring,
kopleguaan of als
stoottros. In de
beroepsvaart alleen op enkele, meestal kleine,
vaartuigen en
sleepboten in gebruik geweest.
Gerelateerde termen:
kurkezak,
aanvaarzak,
fender,
stootwil.
~
legwaring:
1> Hollandse verbastering van het Friese woord Lechwa(r)ring hetgeen daar
gangboord betekent. Groningers houden het er op dat het woord uit Groningen komt.
Bron: F.R.Loomeijer: Met zeil en Treil, de tjalk in de binnen- en buitenvaart. Uitg. Alk, Alkmaar. 2de druk 1999
2> buitenrand van een houten dek. Oud synoniem voor
lijfhout.
Bron: Wigardus à Winschooten, Seeman 1681.
~
legwaringplank:
elk der planken,
delen, die het
lijfhout of
kantdeel vormen.
Bron: Scheepsbouw; G. J. van der Werff, Hoogezand, weekblad Schuttevaer 27 november 1937.
~
lei:
nagenoeg stilstaand natuurlijk water. Ook als
leije,
lee of
liede bekend.
Bron: Wegwijzer voor de binnenscheepvaart Deel 1, 1922.
~
leiblok:
in een constructie opgenomen schijf, die gebruikt wordt om een touw of staaldraad in een bepaalde richting af te laten buigen. Zie ook
leirol.
~
leidam:
met de vaarrichting meelopende lage stenen dam. Zie ook
strekdam,
langskrib en
havendam. In enkele gevallen bedoelt men echter en dwarsliggende dam bijvoorbeeld een
krib.
~
leider:
1> geleiding voor de
jaaglijnen. Zie verder bij
sleepleuning.
O.a. genoemd in: De nieuwe wetgeving op de Rijnvaart van 1869.
2> algemene term voor een strak gespannen draad of touw, dan wel een stang of balk om iets te geleiden. Moderne schrijfwijze van
leier.
3> mogelijk een verkorting van
zwaardleider.
~
leidraad:
aparte draad die bij het
rondbreiën na elke rondte wordt ingeknoopt om het spiraalsgewijze verloop van de
mazen te voorkomen.
[Links:
Overige termen inzake het vistuig.]
Genoemd in: Dr. Th. H. van Doorn, Terminologie van Riviervissers in Nederland.
~
leidingponton:
klein
ponton dat de persleiding van
zandzuigers e.d. draagt.
Gerelateerde term:
elleboogponton.
~
leidingstraat:
gedeelte op een
tankschip waar de belangrijkste langsscheepse leidingen liggen.
~
Leidsche boeier:
overnaads gebouwde boeier. Zie verder bij
Leidse boeier.
~
Leidsche kaag:
groot model Kaag uit de 18 de eeuw. Zie verder bij
Leidse kaag.
~
Leidschendammer:
a> 17de eeuws
gladboordig gebouwd
vaartuig, waarmee men nog net door het
overwelfde verlaat van Leidschendam (gebouwd 1648) kon. De maximale lengte was 16,5 m, de breedte 3,8 m. De
holte bedroeg ca. 1,8 m. De maximale hoogte van het ledige vaartuig mocht niet meer dan 2,2 m meten. Door de
zijdes volkomen vlak, dus zonder uitstekend
berghout, te maken en de
zwaarden tijdens de passage af te hangen, wist men schepen tot zo'n 32 ton door de
sluis te krijgen. Deze beperkingen vervielen bij de bouw van een nieuwe sluis in 1885.
Bron: E.W. Petrejus, Scheepsmodellen, Binnenschepen, 1964. | G.C.E. Crone; Onze schepen in de Gouden Eeuw. P.N. van Kampen & Zoon n.v., Amsterdam 1939. | Cornelis van Yk, De nederlandsche scheepsbouwkunst open gestelt. 1697. enz.
- Het schip wordt in sommige bronnen een damschuit genoemd. Andere bronnen gebruiken de term damloper. Van echte Leidschendammers heb ik geen voorbeelden kunnen vinden. Wel vindt men, vooral in advertenties uit de 19de eeuw, diverse tjalken en pramen met Leidschendammer maten [Lijst maatschepen]. Het laadvermogen van deze scheepjes loopt tot boven de 60 ton. Voorgaand '32 ton' moet misschien dus '32 last' zijn.
Verschillende bronnen zijn niet geheel duidelijk over de afmetingen en constructie van de sluis. Plattegronden uit 1648, getekend door Pieter Florisz van der Sallem, tonen een vrij gewone sluis met puntdeuren in ontwerp, maar een ets (zie afbeelding) uit 1667 laat een grote sluiskom met twee verlaten uitgerust met valdeuren zien. Deze verlaten worden in teksten vaak aangeduid als duikers. De geschiedenis van Leidschendam en zijn overhalen en verlaten wordt vrij uitgebreid beschreven door F. van Mieris in: Beschryving der stad Leyden. Deze vermeldt echter weinig maten.
- De Nederlandse bruggenstichting schets eveneens het beeld dat we in voornoemde ets zien; twee valdeuren met daartussem eem grote sluiskom, een kolksluis. Andere afbeeldingen tonen hierin ligplaatsen(?) voor de trekschuiten. De genoemde lengtebeperking zal bij reglement ingevoerd zijn, want de kolksluis is zeer ruim bemeten.
- G.C.E. Crone geeft in Nederlandsche jachten, binnenschepen, visschersvaartuigen en daarmee verwante kleine zeeschepen vanaf bladzijde 172 eveneens een verslag van de gebeurtenissen rond de dam. Ook hij is over de constructie van de sluis niet echt duidelijk.
De kwestie van de maten wordt extra verwarrend door het gebruik van verschillende standaarden, zoals de Rijnlandse, Amsterdamse en Weselse maat, die in de verschillende bronnen over dit onderwerp voorkomen.
b> algemene aanduiding voor elk schip van enig formaat dat voornoemde sluis kon passeren.
~
Leidsche Rijn:
deel van de oude Rijn, vanaf het Merwedekanaal en vervolgens ongeveer tot aan de plaats Harmelen. Zie ook
Oude Rijn.
~
Leidsche vaart:
afgesloten arm van de Oude Rijn bij Utrecht. Zie ook
Oude Rijn.
~
Leidsche vlet:
op een
Kagenaar gelijkend vaartuig. Zie verder bij
Leidse vlet.
~
Leidse boeier:
overnaads gebouwde
boeier. Vroeger geschreven als
Leidsche boeier. Niet bekend of dit type boeier ook bedrijfsmatig gebruikt is. Zie verder bij
Zuid-Hollandse boeier.
~
Leidse Groetenkaag:
niet bekend. Mogelijk zoiets als een
Kagenaar of een
Leidse vlet?
[Links:
Diverse boerenvaartuigen e.d.]
~
Leidse kaag:
scheepstype. Achttiende eeuws model
Kaag van het grote type. Ook geschreven als
Leidsche Kaag. Het schip heeft de
tjalkachtige
volle vormen en de
gladboordige bouw, die bij de latere Kagen horen. Het extra
berghoutje op het midden van het
boeisel, de licht gekromde
voorstevenbalk met de
oorgaten daarnaast verraden echter dat het om een Kaag gaat.
Van Loon noemt het type een
Zuid-Hollands Gaffelschip.
~
Leidse veerkaag:
kleine
Kaag met
zeiltuig die gebruikt werd voor de
beurtdienst op Leiden. Ook als
Leytse veerkage geschreven.
Bron o.a. G.C.E.Crone: Nederlandse jachten, binnenschepen, visserschvaartuigen en daarmee
verwante kleine zeeschepen. Swets & Zeitlinger, Amsterdam 1926. Heruitgave 1973.
~
Leidse vlet:
1>
scheepstype. Op een
kagenaar gelijkend vaartuig echter gebouwd met een
knikspantromp. Ook als
Leidsche vlet geschreven en soms (per abuis?)
Leids(ch)e bok genoemd.
[
Afbeeldingen] [Links:
Diverse boerenvaartuigen e.d.]
De Leidse vlet lijkt voornamelijk in hout gebouwd te zijn, maar er bestaan wel stalen exemplaren. Ze werden gebruikt voor het vervoer van landbouw producten. De grotere exemplaren vervoerde ook bouwmaterialen, zand, grond en turf. Mogelijk daarom ook vletschouw.
Bron. Verspreide berichten. Historisch fotomateriaal.
2> mogelijk een andere naam voor
Kagenaar.
~
leidsel:
één van de twee
lijnen aan het voorste uiteinde van de
bovenra bij het
loggerzeil. Met deze lijnen kan men de bovenra in
lij van de
mast trekken.
Bron: J. van Beylen Zeilvaart lexicon, Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, Amersfoort, 2023
~
leidtouw:
touw aan het uiteinde van een
ankerkuil. Ook
staartouw genoemd. Zie verder aldaar.
~
leier:
1> soort
luiwagen langs de buitenrand van het
gangboord, waarop het
blok voor de
schoot van een
breefok vastgezet kon worden.
2> stag, die uitsluitend gebruikt wordt om een
stagzeil te geleiden. Ook
leider of soms ook
zeilstag genoemd. Bijvoorbeeld de
kluiverstag.
Ondermeer in Mr. J. van Lennep Zeemanswoordenboek 1856.en J.C. Pilaar: Handleiding tot de kennis van het Tuig, de Masten, Zeilen, enz. van het Schip 1858.
3> algemene term voor een strak gespannen draad of touw om iets te geleiden.
4> de houten 'leuning' aan de bovenzijde van een
reling gevormd door afzonderlijke metalen
scepters.
Bron: G.P.J. Mossel, Handleiding tot de kennis van het Schip 1859.
5>
langs de
zegenkade lopende geleiding in de vorm van een rail (A), waarlangs het blok (B) waaraan de
voorzegen bevestigd is, loopt. [Links:
Diverse termen inzake de visserij.]
Bron: Dr. Th. H. van Doorn, Terminologie van Riviervissers in Nederland.
~
leije:
nagenoeg stilstaand natuurlijk water. Ook als
lei,
lee of
liede bekend.
Bron: Wegwijzer voor de binnenscheepvaart Deel 1, 1922.
~
leikbeugel:
groter formaat
baggerbeugel, diameters circa 35cm.
Bron o.a.: Tijdschrift uitgegeven door de Nederlandsche Maatschappij ter Bevordering van Nijverheid, 1875 (via Delpher) en het Frieslandbouwmuseum via data.collectienederland.nl.
~
leikpraam:
waarschijnlijk uit het Fries afkomstige benaming voor een
baggerpraam.
~
leinenschlepper:
term die gehanteerd werd voor de roeiboten waarmee de loodsen op de Rijn voeren. Ook bekend als
Nachen of loodsboot.
De term was verbonden met het jagen van schepen langs de Rijn en is met de komst van de sleepvaart niet alleen overgegaan op de rivierloodsen maar ook op hun roeiboten. Bron: Deutschlandfunk: Romantik über dem Rhein. Franz Nussbaum 17.08.2008.
~
leioog:
houten klos met een gat of stalen ring waardoor een
touw gevoerd wordt.
~
leirol:
blok of in een constructie opgenomen
rol of
schijf, die gebruikt wordt om een
touw of
staaldraad in een bepaalde richting af te laten buigen. Bijvoorbeeld het
schildpadblok tegen het
boeisel waarover de
zwaardval naar de
kuip, geleid wordt.
~
leiwagen:
dwarsscheepse balk of stang waarlangs een
schootblok kan schuiven. Zie verder bij
luiwagen.
~
lek:
1> opening waardoor ongewild water in het schip komt. In vroeger eeuwen ook een
wan genoemd.
LEK RAKEN
: door van buiten komend onheil een opening in het schip krijgen, waardoor water het schip binnenstroomt.
Men kan lek raken door dat men ergens tegenaan gevaren is, men kan echter ook lek raken door dat men binnen in het schip iets doet waardoor een niet direct te sluiten opening ontstaat.
HET LEK ZOEKEN
: naar binnen gaan om eventjes te gaan slapen....
Gerelateerde termen:
breeuwen,
hozen,
lenspomp,
molmen,
reddingkleed,
smeerprop,
stempel,
enz.
2> grensvormende waterloop, soms ook beekje. Zie verder bij
laak.
3> gedeelte van de rivier de
Rijn. Voortzetting van de
Nederrijn bij Wijk bij Duurstede en bij Krimpen aan de Lek overgaand in de Nieuwe Maas.
Vanaf Krimpen aan de Lek komt men in het delta gebied van een aantal rivieren. Door de eeuwen heen hebben hier de nodige veranderingen plaats gehad en ook de naamgevingen zijn soms gewijzigd.
[
E> Kaart van de lopen der Rijn, Waal en Maas anno 1749.]
~
lekbak:
metalen bak waarin lekkende vloeistoffen opgevangen worden. Ook
oliebak genoemd.
Behalve eventuele bakjes die men plaatst om de vloeistof van een ongewenste lekkage op te vangen, kent men in de binnenvaart nog enkele andere lekbakken.
1. Volgens de wetgeving is men verplicht om onder kachels en branders van verwarmingsinstallaties een metalen bak te plaatsen. In de machinekamer dient de rand van een dergelijke bak 20cm, in overige ruimten minstens 2cm zijn.
2. Vooral de laatste decennia plaats men onder motoren vaak een losse metalen lekbak. Eventueel van de motor lekkende vloeistoffen worden dan in de bak opgevangen in plaats van zich op onder de machinekamervloer te verspreiden.
3. Om dezelfde reden plaatst men soms onder aftapkranen van tanks, filters, e.d. soms kleine metalen lekbakken.
~
Lekboot:
benaming die voor de
raderpassagiersschepen van (ondermeer) de Rederij op de Lek gebruikt werd.
~
lekbout:
bout waarmee men een lek kan dichten. Tamelijk onbekend synoniem voor een
visbout.
~
Lekkanaal:
in 1952 gegraven
vaarweg tussen het
Amsterdam-Rijnkanaal ten zuiden van Utrecht en de
Lek nabij Vreeswijk. Het kanaal vormt een vervanging van het laatste deel van de
Vaartse Rijn.
~
Lekkerkerker:
type Hoogaars met erg gestrekte lijnen. Zie verder bij
Oost-Duivelandse hoogaars.
~
lekkleed:
stevig stuk dekzeil dat men voor een gat in de romp kan trekken. Zie verder bij
reddingskleed.
~
lekko:
verbastering van: let go.
a> Kreet die geroepen wordt wanneer men de
sleeptros los moet gooien, of als men het
anker moet laten vallen. Vrijwel alleen op de
sleepboten van de
havensleepdiensten in gebruik. Zie ook:
vallen.
b> Verenigingsblad van de Vereniging van Belangstellenden voor de Sleepvaart. De vereniging werd in 1975 te Rotterdam opgericht en heeft tot 2020 bestaan.
Bron: Provinciale Zeeuwse Courant 2 mei 1990. | M. de Boer van varenderfgoed.nl
~
lekolie:
gebruikte of ongebruikte olie die een machine, vat, afsluiter of iets degelijks op ongewenste wijze verlaat.
~
Lekse schouw:
vissersvaartuig van de benedenrivieren. Een soort
Zalmschouw; zie verder aldaar.
~
lekslaan:
tijdens het
varen, door een of andere oorzaak, een gat in de
romp krijgen.
~
lekwater:
water dat tussen de
luikenkap of bij houten schepen tussen de
breeuwnaden door lekt. Eeuwen geleden ook
durk of
dork genoemd.
~
lekwaterput:
zeer ongebruikelijk synoniem voor
lensput.
De term wordt hoofdzakelijk aangetroffen in vertalende woordenlijsten zoals bijvoorbeeld P. Versnel's Vakwoordenboek.
~
lekzeil:
stevig stuk dekzeil dat men voor een gat in de romp kan trekken. Zie verder bij
reddingskleed.
~
lekzoeker:
korte dunne priem (een schoenmakers-els) waarmee de kwaliteit van het hout rond de breeuwnaden gecontroleerd werd. Ook
prikker genoemd.
Bron: G. J. van der Werff, Hoogezand, weekblad Schuttevaer 11 december 1937. Met de priem werd op kritische plaatsen de hardheid van het hout getest. Zacht hout betekende rot en moest er dus een (deel van de) gang vervangen worden.
G.J. Schutten. Vertelt dat bij verticaal werk de priem tussen de naad geprikt om het werk er over te kunnen hangen opdat het mooi voor de naad zou komen te liggen.
~
lelie:
de punt van de
kompasnaald of het noorden van de
kompasroos.
Bron o.a.: Mr. J. van Lennep Zeemanswoordenboek 1856.
~
lelievlet:
soort
Beenhakker, vaak met
zeiltuig en midzwaard. Het vaartuigje was voor het gebruik bij de zeeverkenners ontworpen en in de beroepsvaart niet of nauwelijks in gebruik geweest. [
Afbeelding]
~
Lemmeraak:
zeilend houten of stalen
vissersschip met ronde vormen, gebogen
steven, vrij veel
zeeg en laag
achterschip, tegenwoordig veel als
jacht in gebruik. Sommige bronnen vermelden de aanwezigheid van een
kiel(balk). Meestal is dit echter niet meer dan een flink dikke strook, midden onder het schip.
Ook bekend als
Lemsteraak of
Lemmersche aak en als
Botaak. In Zeeland wel
Mosselaak of
Bruinisserjacht en door watersporters soms
Boeieraak genoemd. [
Afbeelding]
Samen met de
Heegeraak soms ook
Palingaak,
Friese aak,
Aalaak,
Amsterdamse aak,
Buitenaak,
Engelse aak of
Londense aak genoemd.
Verder ook nog bekend onder de naam
palingkoper, aalkoper.
Lemsteraak, als mede alle andere samenstellingen waarin 'Lemster' in plaats van 'Lemmer' gebruikt wordt, vinden hun oorsprong in Friesland. In de rest van Nederland gebruikt men 'Lemmer'.
[Websites:
Spanvis.com,
Foto Hielke
Foto Hielke (Archief foto's)].
G.J. Schutten (blz.419) tekent het houten schip met een geknikte vlakke bodem, hoekige kimmen en een stevige kielgang. Stalen Lemmeraken hebben (bijna) altijd en duidelijk ronde bodem en ronde kimmen. Al sinds 1898 worden Lemmeraken voor de pleziervaart gebruikt en ook daarvoor gebouwd.
Gerelateerde term:
Lemmerbol,
botaak
.
~
Lemmerbeurtschip:
schip dat een
beurtdienst op Lemmer vaart, maar meer in het bijzonder het
Lemsterveerschip zoals van Loon dat ontwierp.
~
Lemmerbol:
houten vissersschip van de oostkust van de Zuiderzee. Ook geschreven als
Lemmer bol.
G.J. Schutten (blz.408 + 424) noemt als voorkomende afmetingen van dit type 7 bij 2,8 meter en schetst het als sterk verwant of zelfs gelijk aan de Urker bol. Het zou ook bekend staan als boltsje.
H.Kersken en H.C.A. van Kampen beschrijven het in 'Schepen die voorbij gaan' als een kleine Lemmeraak zonder bun.
~
Lemmerboot:
1> beurtdienst tussen Amsterdam, Lemmer met aansluiting o.a. naar Groningen. Uitgevoerd door de Groningen-Lemmer Stoombootmaatschappij.
2>
één van de
schepen van deze dienst. De bekendste daarvan was de Jan Nieveen. [
Afbeelding]
[Uitgebreide informatie over de Jan Nieveen op
spanvis.com.]
~
Lemmergat:
een 'rond'
achterschip, zo ongeveer als een
Lemmeraak. Zie ook
rondgatter.
De term schijnt in Zeeland voor Zeeuwse vissersschepen met een rond achterschip gebruikt te zijn.
Bron: Leeuwarder courant: 26-05-1962.
~
Lemmerhengst:
Hengst met een
achterschip lijkend op dat van een
Lemmeraak. Voorkomende lengte circa 15 meter. Ook
Lemsterhengst genoemd.
De Lemmerhengst werd bij 'JePeKa op Zeelandnet' kundig beschreven, maar helaas is de site niet meer online.
~
Lemmerhoogaars:
Hoogaars met een
achterschip lijkend op dat van een
Lemmeraak, daarom ook
Rondgatter of
Jachthoogaars genoemd. Door
ir. E van Konijnenburg een Hoogaars-boeiermodel genoemd. Hij tekent het schip met een horizontaal liggend
vlak en een iet wat aflopende
zeeg. De andere hoogaarzen liggen meer voorover, waardoor de zeeg achter eerder inzet en meer oploopt. De belangrijkste werven lagen bij Nieuw Lekkerland en Kinderdijk. De schepen werden zowel
overnaads als
gladboordig gebouwd. De gladboordige versie werd volgens
G.J. Schutten jachthoogaars anderen noemen het een
jachtboot.
Voor bronnen zie bij Hoogaars.
~
Lemmerjacht:
1> niet precies omlijnd begrip. Soms gebruikt als synoniem voor
Mosselaak, soms gebruikt als aanduiding voor een kleine snelle
Lemmeraak. Soms echter staan gewone Lemmeraken in hun
meetbrief als Lemmerjacht of
Lemsterjacht te boek.
Petrejus ziet in het Lemmerjacht een combinatie van blazer en boeier en hij noemt het een echt vissersschip, dat een enkele maal voor de vracht- of beurtvaart gebruikt werd. Bedoelt hij toch een mosselaak of staat hem toch wat anders voor het oog?
2> watersportersterm. Verkorting van Lemmeraakjacht; dus een als jacht (op)gebouwde Lemmeraak.
~
Lemmerkont:
een
achterschip ongeveer zoals een
Lemmeraak.
~
Lemmerschouw:
1>
bepaalde type
Zeeschouw met iets minder
zeeg, maar vaak met een hogere
tuigage, dan de
Hollandse schouw. Ook
Lemsterschouw genoemd.
De term lijkt volgens sommige bronnen voornamelijk gebruikt voor de eerste (houten) zeeschouwen die in De Lemmer gebouwd werden. Bron: o.a. Haalmeijer en Vuik, Buizen, Bommen, Bonzen en Botters.
Door sommigen wordt elke zeeschouw, dus ook de Lemmerschouw ook een spekbak genoemd. J. van Beylen beschrijft in zijn 'Zeilvaart lexicon' een iets afwijkende schouw, die hij eveneens een 'Spekbak' noemt.
2>
houten
zeilschip ondermeer gebruikt als
veerschip/
overzet. Volgens de Stichting Cultureel Erfgoed Zeeland is het een
Zeeuwse schouw en om precies te zijn een
Philipiense schouw met een
Lemmerkont.
De term wordt genoemd bij de School voor scheepsmodelbouw te Baasrode en heeft betrekking op het voormalige veerschip Veere - Kamperland.
~
Lemsteraak:
voormalig vissersschip van de Zuiderzee. Zie verder bij
Lemmeraak.
~
Lemster binnendienst:
(bij)naam van de
beurtdienst, die, vanaf eind 19de eeuw tot ca. 1910, tussen Lemmer en Groningen voer. Verder nog niet bekend.
Onder anderen genoemd bij: spanvis.com.
~
Lemsterbeurtschip:
beurtschip dat een dienst tussen Amsterdam en Lemmer onderhield. Zie verder bij
Lemsterveerschip.
~
Lemsterboeieraakschip:
als pleziervaartuig ontworpen
'Lemmeraak'.
~
Lemster boltsje:
1> een
praamachtig schip van zo'n twintig ton. Ook geschreven als
Ljemster boltsje
Vermoedelijk gaat het om zoiets als een Friese praam.
Bron: Skipperstaal.
2> mogelijk een kleine
Lemmeraak of
Blazer maar zonder
bun. Het waren scheepjes met een
gaffelzeil die te Makkum gebouwd werden.
Waarom J. van Beylen in het 'Zeilvaart lexicon' er dan vanuit gaat dat het een Lemmer- en geen Makkumerbol zou heten, snap ik niet.
- Er lijkt begripsverwarring ontstaan te zijn tussen het Boltsje, de Lemmerbol, de Wieringer (Makkumer, Enkhuizer) bol en het praamachtige schip uit Skipperstaal.
~
Lemster buitendienst:
(bij)naam van de
beurtdienst, die tussen Lemmer en Amsterdam voer. Dit was van eind 19de eeuw tot aan 1910.
Zie ook
Lemster binnendienst.
Onder anderen genoemd bij: spanvis.com.
~
Lemsterjacht:
voormalig vissersschip onder anderen voor de mosselvangst. Zie verder bij
Lemmerjacht.
~
Lemsterhengst:
vissersschip van het type
hengst met een rond achterschip. Zie verder bij
Lemmerhengst.
De term werd aangetroffen in de liggers van de meetdiensten.
~
Lemsterhoogaars:
Hoogaars met een achterschip lijkend op dat van een Lemmeraak. Zie verder bij
Lemmerhoogaars.
~
Lemstermotoraak:
gemotoriseerde
Lemmeraak, mogelijk een
visafhaler/palingkoper.
~
Lemsterschouw:
een vissersschip voor de Zuiderzee, dan wel een veerscheepje voor de Zeeuwse wateren. Zie verder bij
Lemmerschouw.
~
Lemsterveerschip,
1> algemene naam voor de
zeilende schepen, die een
veerdienst/beurtdienst vanuit Lemmer, over de Zuiderzee/IJsselmeer, onderhielden. Ook bekend als
Lemmerbeurtschip,
Lemmer veerschip en
Lemsterbeurtschip.
2>
naar ontwerp van
Van Loon gebouwd
tjalkachtig schip voor de veerdienst Lemmer-Amsterdam. Ook bekend als
Lemmer veerschip.
[Tekst:
Tjalk, Lemsterveerschip.] Er zijn slechts twee van dit soort schepen gebouwd.
Het door van Loon ontworpen schip kenmerkte zich door een gepiekt en flink geveegd achterschip, ruime kimmen en een weinig volle bouw. Wel waren ze breder dan de gewone tjalk. Naar men verhaalt was het Lemsterveerschip op tegenwindse koersen twee keer zo snel als een gewone tjalk van vergelijkbaar formaat en half zo snel als een gewoon beurtschip. Het vergelijk met de gewone tjalk gaat echter een beetje mank, daar zij bekend staan om het feit dat ze gebouwd zijn om veel te laden, niet om snel te zijn. Bij weinig wind was het Lemsterveerschip, door zijn grotere breedte, in het nadeel.
~
leng:
1> In de touwslagerij. Een van een haak voorzien hulptouw waaraan de
streng wordt opgehangen.
2> grote ring van touw, wat als strop bij het hijsen gebruikt wordt. Eigenlijk
sleng genoemd.
Ter informatie: het zou het 'leng', en de 'sleng' zijn.
Bron: Weekblad voor privaatrecht, notaris-ambt en registratie. 16-01-1909. (Via Delpher.nl) en de Historische woordenboeken op gtb.ivdnt.org.
3> touw tussen de
voorsteven van het
vissersschip en het uiteinde van het
kuilhout.
Het is me niet bekend of het hier om het kuilhout van de dwarskuil of van de kwakkuil gaat.
4> bepaalde vorm van een metalen verbindingsstuk op houten schepen; een
spang.
~
lengen:
verouderde term voor
vieren of
uitvieren. Langer maken, verlengen, dus.
~
lengte:
in de
sleepvaart: een
gesleept vaartuig (bijv. in: een
sleep van vijf lengtes),
maar eigenlijk wordt er de afstand tussen de achterkanten van twee opéén volgende
schepen in een sleep mee bedoeld.
Lengte over alles
: lengte van het
vaartuig gemeten vanaf het achterste vaste deel tot en met het voorste vaste deel. Afgekort:
l.o.a.
Andere maten zoals lengte over de waterlijn of lengte tussen de loodlijnen zijn in de binnenvaart alleen voor ontwerpers, scheepsmeters e.d. interessant.
~
lens:
1> droog.
HET SCHIP IS LENS
: al het lek-, regen- en
buiswater is uit het
schip gepompt of
gehoosd.
LENS HALEN
: water uit het schip pompen. Ook
lenzen genoemd.
Lenzen doet men meestal met een lenspomp, hozen met een hoosvat.
LENS SLAAN
: tijdens het pompen, lucht op pompen.
2a> toestand waarbij de
zeilen wel gehesen, maar de
schoten niet aangehaald zijn.
IN LENS LIGGEN
: met één of meerdere zeilen bij,
geankerd liggen.
b> situatie waarbij men zo min mogelijk en zo klein mogelijk zeil voert.
TER LENS AFLOPEN
: met klein zeil voor de wind weg varen:
lenzen.
3> het glas van een
navigatielicht. Een
dioptrisch glas.
~
lensfles:
koker met zeef en terugslagklep aan de aanzuigleiding van een
lenspomp. Zie ook links
Pompen, onderdelen en gebruik.
~
lensinrichting:
het geheel van pompen, leidingen, kranen, zeven, enz. waarmee een schip
lens gehouden kan worden.
~
lenskast:
koppelstuk met kranen tussen diverse
lensleidingen en de
lenspomp. Eigenlijk
lensverdeelkast geheten. Zie ook:
zeekast.
~
lensklep:
klep in de
lensleiding of de
lensfles, waarmee het terugstromen van
lenswater voorkomen wordt. Ook
zuigklep genoemd.
~
lenskorf:
trechtervormige of kokervormige zeef, rond de aanzuigleiding van een
lenspomp. Ook
zuigkorf genoemd. Zie ook:
lensfles.
~
lensleiding:
1> elk der pijpleidingen die met de
lenspomp verbonden zijn.
2> de aanzuigende leidingen van het bij 1 genoemde.
3> ruime pijp waarin men een pomp kan plaatsen. De
pompkoker.
~
lenspijp:
1> het aanzuigend gedeelte van de lensleiding. Ook
aanzuigbuis/aanzuigpijp of
lensleiding genoemd.
2> mogelijk ook gebruikt als synoniem voor
pompkoker.
~
lensplug:
voorwerp waarmee het
loosgat in de bodem van een
bijboot afgesloten wordt. Ook bekend als
loosplug,
lensstop en kortweg ook als
plug.
Gerelateerde termen:
bosse,
spuigatplug,
deuvik,
enz.
~
lenspomp:
pomp, waarmee lek-, regen-,
buiswater uit het
schip gepompt kan worden.
Indien gebruikt in machinekamers dan vaak
machinekamerpomp of
bilgepomp genoemd. Zie ook links
Pompen, onderdelen en gebruik.
De wijze waarop een vaartuig lens gehouden wordt, verschilt van schip tot schip. Kleine open schepen worden meestal gehoosd. Zodra er in het vaartuig een min of meer vaste 'vloer' ligt, gebruikt men echter pompen. Stoom- en motorschepen maken vaak gebruik van mechanisch aangedreven pompen. Ondermeer bij beladen vrachtschepen krijgt men te maken met grote delen van het schip die niet makkelijk bereikbaar zijn. Bij handpompen wordt dit opgelost door vanaf het dek tot aan het vlak een koker aan te brengen, waarin men dan een pomp kan plaatsen. Bij mechanische inrichtingen zorgt een stelsel van leidingen en afsluiters dat men de verschillende delen van het schip lens kan houden.
Gerelateerde termen:
lurken,
lenzen,
hozen,
ruimpomp,
krukpomp,
trekpomp,
vleugelkleppomp,
stokpomp,
kettingpomp,
emmertjespomp,
emmertje,
gek,
lensleiding,
lensput,
loospijp,
enz.
~
lenspoort:
soort groot
spuigat.
~
lensput:
1> de plaats, in het
schip, waar zich het meeste water verzameld en waar men dus het beste kan
lenzen, of
hozen. Al naar gelang de aard ook
bilge,
pompgat,
lekwaterput of
hoos genoemd.
Bij schepen die meerdere (deels) waterdichte afdelingen bezitten, zijn er dus meer van deze plaatsen.
2> het punt waar zich de zuigkorf,
lensfles, van de
lenspomp bevindt. Ook
bilge genoemd.
3> in een stalen
buikdenning aangebrachte put waarop de lenspomp aangesloten is of waarin men een dompelpomp kan plaatsen.
~
lensruimte:
de ruimte tussen de binnenzijde van het
vlak of de
kiel en de daarboven liggende vloer. Ook bekend als
kielruimte of
vulling, maar tegenwoordig vaak ook
bilge genoemd. In de 16de-17de eeuw sprak men echter van
durk of
dork.
~
lensstop:
voorwerp waarmee het
loosgat in de bodem van een
bijboot afgesloten wordt. Zie ook
lensplug.
~
lensverdeelkast:
1> koppelstuk met kranen tussen diverse
lensleidingen en de
lenspomp. Zie ook
lenskast.
2> soort kleine
bun tegen de
kim van het schip in de machinekamer, met diverse kranen gekoppeld aan de lensleidingen. Zie verder bij
zeekast.
~
lenswater:
water, dat ongewild in het
schip gekomen is en dat men met een
lenspomp uit het schip pompt. Vroeger ook
durkswater genoemd. Zie ook:
hooswater.
~
lenszegen:
bepaald soort
visnet, een
zegen, met een zakvormig deel aan het uiteinde.
~
lenzen:
1> water uit het
schip pompen. Ook
lens halen of
bevrijden genoemd.
Lenzen doet men meestal met een lenspomp, hozen met een hoosvat.
2> met een
zeilschip (bij stormweer, onder
klein tuig) voor de
wind weg
zeilen.
Bron: Johan Hendrik van Dale, Van Dale's groot woordenboek der Nederlandsche taal. Nijhoff, Sijthoff, 1914. Via Delpher.nl
Sitemap
© 1997-heden; Pieter Klein, Amsterdam of de rechthebbenden van de opgenomen tekst- en afbeeldingsbestanden
De rechthebbenden kunnen niet aansprakelijk gesteld worden voor de gevolgen van het gebruik van deze site,
noch voor de gevolgen van het gebruik van de in deze site opgenomen links!
Deze site gebruikt cookies!
Zonder toestemming vooraf, is gehele of gedeeltelijke overname van enig deel uit 'Binnenvaarttaal' verboden!
Veel inzenders zullen echter een verzoek tot het (her)gebruik van het getoonde materiaal inwilligen. (meer informatie)
Kopieën naar Facebook, Pinterest, en andere doorgeefluiken zijn echter niet toegestaan!
Deze site is geoptimaliseerd voor een resolutie van 1024x768 px.,
U wordt verzocht eventuele gebreken te
melden!
(meer informatie)
Mijn dank gaat uit naar ALLEN, die mij met deze site helpen of geholpen hebben.
Pieter Klein:
Redacteur, auteur, ontwerper en webmaster.