Aanvullingen en correcties zijn welkom.
Woordenlijst B
~
baai:
1> uitholling in de omtrek van een
schijf of
kous, ook
keel genoemd.
2> bepaalde wollen stof.
~
baaivanger:
pij van
oliegoed gevoerd met baai. Volgens sommige bronnen echter geheel van baai gemaakt. Opvolger van de
bolkvanger.
Bron: Volgens Mr. J. van Lennep Zeemanswoordenboek 1856 was een bolkvanger geheel gemaakt van baai. van Dale Groot Woordenboek der Nederlandse taal 1984 houdt het echter op een soort oliejas gevoerd met baai. De term 'baaivanger' zou trouwens later over gegaan zijn op de varenslieden, die zulks droegen. Hoewel zelden in geschriften genoemd zal het kledingstuk ook bij binnenschippers en (binnen)vissers in gebruik geweest zijn. De baaivanger wordt in sommige verklaringen gelijk geacht aan de schansloper. Toch bestaat bij mij de indruk dat de term baaivanger meer betrekking heeft op een pij, terwijl schansloper vaker voor een jas gebezigd wordt.
~
baak:
1> herkenningspunt voor de scheepvaart. Vroeger het enkelvoud van
baken.
Bron: Johan Hendrik van Dale, Van Dale's groot woordenboek der Nederlandsche taal. Nijhoff, Sijthoff, 1914. Via Delpher.nl
2> 4 à 5 meter lange stok (het stammetje van een spar) dat als drijfbaken voor een
staand want fungeert. Ook
spar genoemd. Gerelateerde term:
baaksim.
Bron: Peter Dorleijn, Van gaand en staand want, deel 4. Elburg, Uitg. Van Kampen & zn, 1982.
~
baakboot:
schip dat gebruikt werd om een
lichtboei te ontsteken. Mogelijk een plaatselijke (Marken) term.
Bron: Peter Dorleijn, Van gaand en staand want, deel 2. Marken, Uitg. Van Kampen & zn, 1982.
~
baaksim:
aan de Veluwekust: de verbindingslijn tussen de
visnetten/
perken in het midden hiervan was de bijbehorende
joon,
baak gestoken. [Links:
Overige termen inzake het vistuig.]
Bron: Dr. Th. H. van Doorn, Terminologie van Riviervissers in Nederland. 1984. | Peter Dorleijn, Van gaand en staand want, deel 4. Elburg, Uitg. Van Kampen & zn, 1982.
~
baaktouw:
touw waarmee een
visserijbaken/
joon met het net verbonden is.
Bron: Peter Dorleijn, Van gaand en staand want, deel 4. Elburg, Uitg. Van Kampen & zn, 1982.
~
baal:
1> met touw of weefsel bij elkaar gehouden hoeveelheid.
2> gewichtseenheid van 100 kg. Ook
mosselton genoemd.
~
baalder:
bepaalde soort/maat
baggelturf.
~
baalhaak:
handgreep met haak waarmee men balen en zakken versjouwd. Zie ook
zakhaak.
~
baan:
1> strook
zeildoek tussen twee naden van het
zeil.
2> een touwslagerij; verkorting van het woord
lijnbaan.
~
baander:
iemand die op een lijnbaan werkt. Ook
touwbaander genoemd.
Bronnen: Jozef Vercoullie, Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal. Nijhoff 1925. | Herman de Man, Heilig Pietje de Booy. Querido 1940.
~
baanderij:
plaats waar touw gefabriceerd wordt. Ook bekend als
lijnbaan en
touwslagerij.
Bron: Kapitein Aart Luteyn: Beurtvaart, door Herman de Man, Bosch & Keuning, 1937. | Het juiste woord: betekeniswoordenboek der Nederlandse taal, Ludovicus Brouwers, 1965
~
baanderswerk:
het werk van een
touwslager.
Bron: Herman de Man, Heilig Pietje de Booy". Querido 1940.
~
baanderwagen:
onderdeel van een
lijnbaan. Over rails rijdende lorrie waarop de
slagmachine gemonteerd is. Zie ook
slee.
~
baandraaier:
het werk van degene die in de
touwslagerij het wiel draait.
Bron: Nederduits Taalkundigwoordenboek, P Weiland, 1850.
~
baanspinder:
het werk van degene die in de
touwslagerij de vezels tot draden twijnt. Ook
baanspinner genoemd.
Bron: Nederduits Taalkundigwoordenboek, P Weiland, 1850.
~
baanspinner:
het werk van degene die in de
touwslagerij de vezels tot draden twijnt. Ook
baanspinder genoemd.
Bron: Nederduits Taalkundigwoordenboek, P Weiland, 1850.
~
baansplits:
lange
splits gelegd in
kabeltros of
staaldraad.
Bron: T.J. Noordraven, Schiemanswerk: touwwerk, blokken, takels. Duwaer, 1943. Via Delpher.
~
baar:
1> grote golf, door natuurlijke oorzaken ontstaan.
2> zeer onbekende term voor een ondiepte voor een riviermond.
In deze vorm ook gebruikt als term voor afsluiting, sluitboom, balk.
De Historische woordenboeken op gtb.ivdnt.org. geven geen bron van het gebruik van de term in de zin van ondiepte. Mogelijk is het gebaseerd op een vermelding bij Nicolaas Witsen.
~
baard:
1> aan het
schip gehecht draadwier dat zich net onder de
waterlijn bevindt. Ook
aangroeisel genoemd.
2> ter versteviging rond een opening aangebrachte ring; een
kluisbaard.
3> brekende golf naast het voorschip, meestal de
boeggolf of snor genoemd.
4> extra lange haren aan de zijkanten van een
luiwagen.
5> Vlaams voor
scheg in het bijzonder een scheg die naderhand tegen de
heve, van voor- of achterschip aangebracht is.
~
baardkluis:
door
G.J. Schutten gebruikte term voor
kluisbaard.
~
baardlaag:
laag van rijshout waarop men een
krib in de rivier uitbouwt.
~
Baardse:
14de tot 19de eeuwse term voor kleine snelle
oorlogsvaartuigen, die de
binnenwateren bevoeren. Dit waren zowel
roei- als
zeilvaartuigen. Het schenen vrij snelle schepen te zijn, die overeenkomst met een
galei vertoonden. (De
zeegaande Baardse had echter een afwijkende bouw.) Crone noemt het: "meer volmaakte opvolgers van de
oorlogskogge".
Alhoewel er heel wat van deze schepen gebouwd zijn, lijken er geen betrouwbare afbeeldingen voor handen te zijn. Toch zouden ze op prenten uit de Tachtigjarige oorlog aanwezig moeten zijn.
BAERDZE VAN HOORN
: deze in 1518 Edam gebouwde Baardse was een op een
galei geïnspireerd oorlogsschip van de west-oever der Zuiderzee. Van Lennep schrijft: "....een groote baartse, die zeer hoog getuigd was en boven alle andere schepen uitstak. Zy kon met riemen geroeid worden, was licht in evenredigheid met haar grootte en voerde veel zeil.".
Bronnen o.a.: Historische woordenboeken op gtb.ivdnt.org. | G.C.E. Crone vermeldt als eerste voorkomen van dit scheepstype 1343. In zijn werk Nederlandsche jachten, binnenschepen, visschersvaartuigen enz. geeft hij vanaf blz. 46 de nodige informatie. Hier wordt ook de zeegaande Baardse genoemd. | G.C.E. Crone; Onze schepen in de Gouden Eeuw. P.N. van Kampen & Zoon n.v., Amsterdam 1939. | Mr Jhr. J van Lennep, Zeemans woordenboek. 1856 via DBNL.org | Beschrijving van 's Graven-Hage...als mede de privilegien, handvesten, keuren....., Mr Jacob de Riemer, r.g. deel 2, Uitg. J. de Gros, ' Graven-Hage 1749.
- Het woord 'baardse' is afkomstig van het Franse woord 'barge' en werd in de loop der tijden ook geschreven als: Baerdze, Baartse, Baardze, Baertze, barze, bairdze, barse en bardsie. Later werd dat Barge en Berge.
~
baardsehuis:
timmerloods op een werf waar men
baardsen bouwt. Vroeger als
Beardsehuys geschreven.
Het betreft een werf die voor 1547 bij de Grimburgwal te Amsterdam gelegen was.
Bron: Amsterdam, in zyne opkomst, aanwas, geschiedenissen, voorregten ..., Volume 1 Door Jan Wagenaar
~
baardwerk:
datgene wat met een
baardlaag aangebracht is.
~
baarlat:
volgens
G.J. Schutten beschermlat die op sommige Zeeuwse vaartuigen op de hoeken van de
heves aangebracht zijn. Vergelijk
scheen.
~
Baartse:
op een galei gelijkend vaartuig. Schrijfvariant van
Baardse.
~
Baas Blik:
bijnaam voor de werf van H.Boot te Delft (Vrijenban).
De term wordt slechts in beperkte kring gebruikt. Aangetroffen op kustvaartforum.com
~
backhoe:
baggerwerktuig. Verkorting van
backhoe dredger.
Backhoe is het Engelse woord voor lepelgraver. Een 'hoe' is een eigenlijk schep waarvan het blad haaks op de steel staat. Bron: Dictionary.com
~
backhoe dredger:
in Nederland gebruikt Engels woord voor wat men in goed Nederlands meestal een
kraanponton of
baggerponton noemt. Soms verkort tot enkel maar
backhoe. Ook spreekt men wel van een
diepgrijper of
dieplepel.
Het Engelse woord 'backhoe' staat voor een hydraulische graafarm die aan de achterzijde van tractoren, wiellaadschoppen, e.d. gemonteerd kan zijn. Het is mijns inziens daarom fout een dergelijk vaartuig 'backhoe dredger' te noemen.
~
backingroer:
half-nederlands, half-engels woord voor roeren, die men bij het achteruit varen gebruikt, meestal
flankingroeren genoemd. Niet te verwarren met een
Beckerroer.
~
BaCobak:
Baco staat voor
Barge and
Container. Soort van
duwbak, die in, voor dat doel gebouwde, afzinkbare, zeeschepen getransporteerd kan worden. Afm. 24 x 9,5 x 4,1 m. ca. 800 ton. De
Lashbak is wat korter en heeft een geringere
holte. Gerelateerde term:
kopbak.
Bron en fotofragment: wikipedia.de + wikimediacommons CC-BY-SA
~
badde:
Gronings voor
brug (oeververbinding). Naar het schijnt had het vroeger vooral betrekking op afbreekbare bruggen.
Bron (ondermeer): Voor en tegen de wind Auteur: Hendrik A. Hachmer.
~
badderik:
negentiende eeuws bargoens voor
schip of schuit. Ook
bodderik genoemd.
Onze volkstaal; tijdschrift gewijd aan de studie der Nederlandsche tongvallen, jrg 3, 1890. (via Delpher)
~
badding:
soort houten
voetreling op een
galg (vlot), die moet voorkomen dat de
trekkers in de
sleuf of
overboord glijden.
~
badschip:
vaartuig, bedoelt als
drijvende inrichting, waarin men
beunen, of zijn het toch
bunnen die als bad kunnen dienen, gemaakt heeft.
Het gemeente archief van Amsterdam bezit ontwerptekeningen van dit vaartuig.
[Website met download.]
~
Baerdze:
schrijfvariant van
baardse en naar men zegt ook van
Barge.
~
baggelmachine:
drijvende inrichting, die gebruikt wordt om, van veen en water, veenslik voor de productie van baggelturven te maken. Ook
turfmachine genoemd.
Wisselende omstandigheden in de natuur vereisten wisselende machines bij de verwerking van van natte veenlagen. Overeenkomst tussen de verschillende baggelmachines is dat ze uitgerust zijn met een jacobsladder waarmee het veenslik omhoog gebracht kan worden. Daarna gaat het via stortgoten of buizen naar een omheinde stortplaats, waar het dan verder kan drogen.
Bron o.a.: Museum Federatie Fryslân via museum.frl
Gerelateerde term:
veensteekmachine,
emmermolen.
~
baggelaar:
1> bepaalde kwaliteit turf die ontstond uit het baggeren van laagveen. Ook
baggelaarsturf genoemd.
2> verbastering van baggeraar. Voornamelijk gebruikt voor hen die met de
baggerbeugel, veen baggerden om er turf van te maken.
Vermeld in: R.K. Kuipers, Geïllustreerd woordenboek der Nederlandsche taal.... Elsevier,1901. Via Delpher.
~
baggelaarsturf:
turf gemaakt van opgebaggerd veenslik. Zie verder bij
baggerturf.
Vermeld in: R.K. Kuipers, Geïllustreerd woordenboek der Nederlandsche taal.... Elsevier,1901. Via Delpher.
~
baggelarij:
plaats waar
baggerturven gemaakt worden.
Vermeld in: R.K. Kuipers, Geïllustreerd woordenboek der Nederlandsche taal.... Elsevier,1901. Via Delpher.
~
baggelturf:
turf die ontstaat door het laten drogen van veenslik, een mengsel van (opgebaggerd) veen en water. Ook
baggelaarsturf genoemd. Er werden voor de diverse afmetingen en kwaliteiten waarin de turven gemaakt werden, verschillende namen gebruikt zijn.
De term baggelturf lijkt om een bepaalde kwaliteit baggerturf te gaan. In de loop der jaren is het begrip vervaagd en veelvuldig als synoniem voor diverse kwaliteiten baggerturven gebruikt.
Men onderscheidde ondermeer: Sponturf, dat zou de kleinste en hardste soort baggelturf geweest te zijn. Baalders deze schenen 5 bij 10 bij 15 cm te meten. Slagturf, deze zou minder bewerking vereist hebben. Persturf deze zou zijn vastheid deels aan het mechanisch persen van losse turf te danken hebben, terwijl de turf die gewoon direct in het veen gestoken werd steekturf genoemd werd. Ook had men nog de baggelaar een korte zware turf.
Nog meer turf soorten zijn te vinden in De Distributiewet 1916, Samsom, 1917, blz 247 e.v.
Overige bronnen o.a.: Historische woordenboeken op gtb.ivdnt.org. | Verslag der handelingen der Staten-Generaal 1832-1833. | J. Hoogwerf en D.J. Baarslag, eenvoudige aardrijkskunde voor het christelijk onderwijs. Noordhoff,1928.
~
bagger:
datgene wat men aan 'grond' van de bodem van het
vaarwater ophaalt. Vaak ook
baggerspecie of slechts 'specie' en vroeger ook
schot genoemd.
Gerelateerde termen:
baggeren,
bocht,
dok,
heft,
wamen.
~
baggeraak:
een
aak (vrachtschip) waarmee men
baggert of bagger vervoerd. Ook benoemd als
baggervlet, of slechts
vlet.
Ondanks het feit dat zowel bagger als aak toch vrij gebruikelijke termen zijn, wordt de term baggeraak slechts zelden gebruikt. Vermeldingen van het woord worden voornamelijk in kranten gepubliceerd tussen 1890 en 1910 gevonden. Men vermeldt ondermeer een gedekte aak van 27 ton, geschikt om te zeilen; een baggeraak 60 ton; een aakje van 6 ton; en een aakje voor één man.
Ondermeer vermeld bij: ir E. van Konijnenburg, De Scheepsbouw vanaf zijn oorsprong, Brussel 1913, als ook via Delpher.
Gerelateerde termen:
Bovenmaasse Baggeraak,
Hedelse aak,
Sliedrechtse aak.
~
baggeraar:
bedrijf of persoon die
baggert. De laatste werd vroeger ook een
modderman genoemd.
Gerelateerde termen
beugelaar,
baggertrekker,
dieper,
.
~
baggerbak:
1> meestal een
beunbak of aanverwant vaartuig gebruikt voor het vervoer van
bagger.
2> willekeurig
schip dat bij het vervoer van bagger gebruikt wordt.
3> in de vorm
baggerbakje: een
Modderschouw of aanverwant
vaartuig(je).
~
baggerbedrijf:
1> onderneming die
baggerwerkzaamheden uit kan voeren.
2> de gezamenlijke ondernemingen die direct met het
baggeren te maken hebben en de activiteiten die zij ontwikkelen.
Gerelateerde term:
baggerwereld.
~
baggerbeugel:
een soort
beugel, welke men bij het
baggeren gebruikt. Afhankelijk van het soort werk voorzien van een scherpe rand aan de ring (wanneer waterplanten los gesneden moeten worden) en aan de ring een zak of
net van grof weefsel tot fijn gaas.
Gerelateerde term:
putemmer.
Een baggerbeugel wordt ook wel trekbeugel of veentrekker dan wel leikbeugel genoemd.
De 'gewone' beugel had een diameter van ca. 30 cm. De beugel zelf was een ring die aan de voorzijde uitliep tot, of voorzien was van, een breder gedeelte het 'schraapstaal'. De steellengte was afhankelijk van de gewenste waterdiepte en was 3 tot 5 meter lang.
Aan de achterzijde van de beugel was afhankelijk een korf of een zak bevestigd. Afhankelijk van de bodemgesteldheid was het een ondiepe korf van grof of fijn gaas voor zware stevige grond, een zakvormig net voor licht vrij grof materiaal, bijv. veen, of een een zak van grof weefsel, voor zand. (Bron: overlevering door een beugelaar en eigen waarneming.)
In vroeger tijden werden er ook beugels met grotere diameters en lange stelen gebruikt. Aan de beugel waren dan één of twee touwen bevestigd op dat men met vereende krachten de beugel door de bodem en boven water kon trekken. Mogelijk komt daar dus de naam trekbeugel vandaan.
Bron o.a.: Tijdschrift uitgegeven door de Nederlandsche Maatschappij ter Bevordering van Nijverheid, 1875 (via Delpher) en het Frieslandbouwmuseum via data.collectienederland.nl.
~
baggerbeugelen:
het met de
baggerbeugel uitdiepen van het water.
~
baggerbok:
klein
baggerschuitje van het type
bok. In het bijzonder een
Kortenhoefse bok.
~
baggerboot:
Ondermeer door Omroep Zeeland wordt deze term gezien als een synoniem voor baggerschuit, baggerschip of baggervaartuig.
Het spreekt voor zich dat deze terminologie niet juist is. De term werd, samen met de term 'plezierboot' gevonden in het bericht van Omroep Zeeland 'Baggeren van Kanaal door Walcheren stilgelegd' van 07-02-2012. Maar wat ze zich nu bij een baggerboot voorstellen is me niet geheel duidelijk.
~
baggerconsole:
bedieningspaneel op
baggerwerktuigen waarmee het
baggerproces gestuurd en gecontroleerd wordt.
~
baggerdepot:
plaats waar men
baggerspecie kan storten. Tegenwoordig ook vaak
slibdepot genoemd terwijl men het vroeger vaker had over een
baggerstort. Een baggerdepot kan zich ook onder water bevinden. Men spreekt dan van een
onderwaterdepot.
Genoemd in: Richtlijn herstel en beheer (water)bodemkwaliteit, Rijksoverheid.
~
baggerdiepte:
de diepte waarop nog gebaggerd kan worden. De term heeft onder andere betrekking op
snijkopzuigers.
Bron: Baggertechniek april 1995, uitgave TU-Delft. | Teksten van het Baggermuseum Sliedrecht.
~
baggeremmer:
bakvormige constructie aan de
emmerketting van een
baggermolen.
Zie verder bij
emmer.
~
baggeren:
1> in het algemeen: grond met een zeer hoog gehalte aan water opgraven, opscheppen.
2> de bodem van een water afgraven en het opgegravene naar elders transporteren.
3> met een schip door (te) ondiep water, met zachte bodem, varen.
~
baggergat:
1> langs de oever uitgegraven deel, waarin
bagger gestort zal worden. Ook
baggerput genoemd.
2> door baggeren ontstaan
grindgat,
kleigat of
zandput.
~
baggerindustrie:
eigenlijk min of meer alles dat direct met het
baggeren te maken heeft. Niet alleen de
baggeraars zelf maar ook bedrijven en
werven die het materiaal leveren.
Vergelijk:
baggerwereld.
~
baggerketen:
meestal in de zin van 'de gehele baggerketen' dat wil zeggen: alle stappen in het gehele proces van ontgraven, transporteren, verwerken, opslaan en eventueel verder gebruik.
Genoemd in: Richtlijn herstel en beheer (water)bodemkwaliteit, Rijksoverheid.
~
baggerlaars:
soort lieslaars.
Vermeld in: R.K. Kuipers, Geïllustreerd woordenboek der Nederlandsche taal.... Elsevier,1901. Via Delpher.
~
baggerlap:
lederen schouder of borststuk, dat over de kleren aangetrokken wordt, om de kleren bij het
beugelen tegen slijtage te beschermen.
Vermeld in: R.K. Kuipers, Geïllustreerd woordenboek der Nederlandsche taal.... Elsevier,1901. Via Delpher.
~
baggerlepel:
1>
achttiende eeuwse Franse vinding waarmee men tot op redelijke diepte kon
baggeren. Het werktuig was uitgerust met twee grote graaflepels die door middel van tredmolens bediend werden.
Tussen 1790 en 1850 is een dergelijke machine te Hellevoetsluis in bedrijf geweest.
Het is niet geheel duidelijk of de toenmalige term baggerlepel of lepelbagger was.
2> veelal op een
ponton geplaatst, door stoom aangedreven werktuig dat een soort graaflepel beweegt. Zie verder bij
stoomlepelbagger.
Het is niet geheel duidelijk of de toenmalige term baggerlepel of lepelbagger was.
~
baggerleven:
niet erg gangbaar begrip; het leven van de
baggerwerkers.
~
baggermachine:
willekeurige mechanische inrichting waarmee men kan
baggeren,
een
baggermolen,
een
baggelmachine,
een
veensteekmachine,
diverse
zuigers, maar ook
kraanscheepjes,
veegboten, enz.
~
baggermachineponton:
in de
liggers van de
meetdiensten gebruikte term voor een
ponton waarop een
baggermachine opgesteld is of kan worden.
~
baggermachineschip:
in de
liggers van de
meetdiensten gebruikte term voor een
vaartuig waarop een
baggermachine opgesteld is of kan worden.
~
baggermaterieel:
alles wat voor het
baggeren noodzakelijk kan zijn;
baggermolens,
baggervaartuigen en ook kabels,
ankers,
schuiten, e.d.
~
baggermethode:
bepaalde wijze waarop
bagger verwijderd wordt. Zie ook
baggertechniek.
~
baggermolen:
bepaald
drijvend werktuig waarmee men
vaarwegen en
havens uitdiept. Ook
moddermolen genoemd.
Zie verder bij:
emmermolen.
Gerelateerde termen:
tredbaggermolen,
rosbaggermolen,
agitatieponton,
diepgrijper,
diepmachine,
baggelmachine,
baggerlepel,
grindmolen,
grijpbagger,
krabbelaar,
ploegsleepboot,
veensteekmachine,
zandmolen,
zuiger,
enz.
~
baggermolenschip:
vermoedelijk het zelfde als een
baggermolen.
Term aangetroffen in de liggers van de meetdiensten.
De benoeming van het scheepstype, de scheepssoort is soms sterk afhankelijk van de scheepsmeter en kan daardoor afwijken van hetgeen gebruikelijk is.
~
baggermolenvaartuig:
vermoedelijk het zelfde als een
baggermolen.
Term aangetroffen in de liggers van de meetdiensten.
De benoeming van het scheepstype, de scheepssoort is soms sterk afhankelijk van de scheepsmeter en kan daardoor afwijken van hetgeen gebruikelijk is.
~
baggernauwkeurigheid:
de mate waarin het
baggeren zich binnen de afgebakende grenzen afspeelt.
Genoemd in: Richtlijn herstel en beheer (water)bodemkwaliteit, Rijksoverheid.
~
baggeropleiding:
onderricht in het berekenen, voorbereiden en uitvoeren van
baggerwerken.
Ondermeer genoemd in: HIVA-beroepsprofiel Baggerwerker
~
baggerplan:
overzicht van op welke plaatsen/gebieden
gebaggerd moet worden en tot op welke diepte dat moet geschieden. Een dergelijk plan wordt door de opdrachtgever opgesteld.
~
baggerploeg:
stalen raam- of kistvormige constructie, voorzien van messen, tanden, o.i.d., waarmee de bodem van een vaarwater losgewoeld kan worden, daarom ook kortweg
ploeg genoemd.
Ploegbakken of baggerploegen worden door
ploegsleepboten gebruikt bij het
ploegen of
egaliseren.
Zie ook bij
eureka en
krabbelaar.
[
Afbeelding]
Gerelateerde termen:
agitatieponton,
mol,
ploegsleepboot, enz.
~
baggerploegen:
1> door middel van een
baggerploeg, voortgetrokken door een
sleepboot, de bodem loswoelen, opdat de heersende stroming de
bagger weg zal voeren.
Gerelateerde termen:
krabbelaar,
ploegsleepboot,
water injection dredging.
2> met de baggerploeg bagger uit moeilijk bereikbare plaatsen verslepen, naar een plaats waar een
zuiger of de stroming de bagger zal verwijderen.
Genoemd in: Richtlijn herstel en beheer (water)bodemkwaliteit, Rijksoverheid.
3> met een, door een
duwsleepboot voortgetrokken, bakvormige baggerploeg, de
ploegbak, de bodem aansnijden terwijl de aangesneden bagger direct door een pomp naar een door de duwsleepboot geduwde baggerbak gepompt wordt. Dit systeem staat bekend onder de naam
Eureka.
Genoemd in: Richtlijn herstel en beheer (water)bodemkwaliteit, Rijksoverheid.
4> met de baggerploeg of
ploegbak door
hopperzuigers in de bodem gevormde ruggen
egaliseren.
~
baggerpomp:
pomp waarmee
baggerzuigers het bagger-watermengsel, de baggerspecie, verpompen. Zie ook links
Pompen, onderdelen en gebruik.
Ondermeer genoemd in: HIVA-beroepsprofiel Baggerwerker
~
baggerponton:
kraanponton dat voor het
baggeren gebruikt wordt.
Kraanpontons die in het baggerwezen gebruikt worden, zijn meestal voorzien van een hydraulische graafmachine. Bij de lichtere machines zijn dit meestal mobiele machines. Bij de grotere exemplaren zijn deze machines meestal vast opgesteld. Sommige mensen noemen dit een backhoe of een backhoe dredger. Behalve dan dat deze benaming geen Nederlands is, blijkt deze naamgeving eigenlijk ook nog eens fout te zijn. Zie verder bij backhoe dredger.
~
baggerpraam:
praam, of daarmee gelijk te stellen
vaartuig, gebruikt voor het vervoer van
bagger. Bijvoorbeeld een kleine
baggerbak, maar ook een
baggerschuit.
~
baggerpraamschip:
praam, of daarmee gelijk te stellen
vaartuig, gebruikt voor het vervoer van
bagger.
Term aangetroffen in de liggers van de meetdiensten. De benoeming van het scheepstype, de scheepssoort is soms sterk afhankelijk van de scheepsmeter en kan daardoor afwijken van hetgeen gebruikelijk is.
~
baggerproces:
de voortgang van het
baggeren.
~
baggerprogramma:
het geheel van beschreven handelingen, die gedurende het uitvoeren van het
baggerwerk uitgevoerd moet worden.
Ondermeer genoemd in: HIVA-beroepsprofiel Baggerwerker
~
baggerscheepvaart:
de
scheepvaart met
baggerschepen.
~
baggerschip:
1> zelfzuigend
beunschip dat bij het
baggeren ingezet wordt. Soms ook
baggerschuit genoemd.
2>
willekeurig
vaartuig dat voor het transport van
bagger of het
baggeren gebruikt wordt.
Gerelateerde termen:
Baggeraak,
baggerbak,
baggermolen,
enz.
~
baggerschipper:
1> eigenlijk: de
schipper op een
baggerschip.
2> bij uitbreiding: elk bemanningslid op een
baggervaartuig.
Ondermeer genoemd in: HIVA-beroepsprofiel Baggerwerker
~
baggerschuifboot:
vaartuig dat de bagger voor zich uit schuift. Zie bij
schuifboot.
~
baggerschuit:
1> eigenlijk een klein vaartuig van waaruit men baggert of waarmee men bagger vervoert. Ook wel als
modderschuit betitelt.
Gerelateerde termen:
baggeraak,
baggerbak,
baggerpraam,
modderschouw,
baggervlet,
baggerbok.
2> soort
dekschuit met
beun, die bij het transport van
bagger gebruikt wordt.
3> willekeurig
vaartuig dat voor het transport van bagger gebruikt wordt.
~
baggersleepboot:
sleepboot die een constructie voortsleept waarmee de bodem van het vaarwater omgewoeld wordt. Zie verder bij
ploegsleepboot.
~
baggersleepschip:
vrachtschip voor het transport van
bagger, dat niet over een eigen voortstuwing beschikt. Zie ook
baggerbak.
Term aangetroffen in de liggers van de meetdiensten. De benoeming van het scheepstype, de scheepssoort is soms sterk afhankelijk van de scheepsmeter en kan daardoor afwijken van hetgeen gebruikelijk is.
~
baggerspecie:
mengsels van water en
bagger, dat door een
baggerwerktuig verwerkt wordt. Natuurlijk vaak ingekort tot
specie.
Genoemd in: Richtlijn herstel en beheer (water)bodemkwaliteit, Rijksoverheid.
~
baggerstok:
lange stok waaraan vissers hun roeiboot vast leggen. Zie
steekstok.
~
baggerstort:
plaats waar men
baggerspecie opslaat.
Gerelateerde termen:
baggerdepot,
slibdepot,
onderwaterdepot,
enz.
~
baggerstroperij:
het illegaal uitdiepen van water.
Bron: Schager Courant, 18 november 1915 (als baggerstrooperij). | Artikel 314 Wetboek van strafrecht (via uwwet.nl).
~
baggertechniek:
methode die bij het
baggeren gevolgd wordt.
Genoemd in: inventarisatie kleinschalige baggertechnieken, Stowa,
~
baggertrekker:
1> instrument waarmee men handmatig kan baggeren. Zie
baggerbeugel.
2> iemand die met behulp van de
beugel baggert. In bepaalde gebieden (de Zaanstreek?) ook
prutter genoemd.
Bron: Van Dale's groot woordenboek der Nederlandsche taal, Sijthoff,1914. (via Delpher).
Gerelateerde term
beugelaar,
baggeraar,
modderman,
waldieper,
.
~
baggertuig:
lelijke verkorting van wat men in het algemeen een
baggerwerktuig zal noemen.
Bron: HIVA-beroepsprofiel Baggerwerker.
~
baggerturf:
turf die gewonnen wordt uit opgebaggerd veen. Deze veenspecie kan tot verschillende kwaliteiten turf verwerkt worden. Zie verder bij
baggelturf.
De term 'baggerturf' wordt het meest in publicaties gebruikt, naar in de spreektaal vinden, naar men zegt, de termen 'baggelturf' en 'baggelaarsturf' de meeste ingang.
Bron: Historische woordenboeken op gtb.ivdnt.org.. | Zoekresultaten Google en Delpher.nl.
~
baggervaart:
de vaart (en alles wat daarbij hoort) met
baggervaartuigen.
~
baggervaartuig:
1> eigenlijk: elk vaartuig dat bij het
baggeren betrokken is.
2> veelal: vaartuigen die bagger transporteren;
een
baggerschip,
een
baggerschuit,
een
baggerbak,
een
onderlosser,
een
splijtbak,
een
dregschuit, e.d.
~
baggervaren:
het met behulp een vaartuig (regelmatig) vervoeren van bagger en dergelijke.
~
baggervlet:
1> term die in agrarische gebieden aan diverse open vaartuigen van redelijk formaat, die voor het baggeren gebruikt worden, gegeven wordt.
Gerelateerde term:
baggerschuit.
2> sleepvlet die bij baggerwerkzaamheden in gebruik is of
baggerbakken sleept of
duwt.
~
baggerwereld:
niet duidelijk omschrijfbaar begrip. Ongeveer alles wat bij het
baggeren betrokken is.
Dit soort begrippen zijn niet strak omlijnd en dus is er moeilijk een sluitende definitie voor te geven. Het begrip 'De baggerwereld' lijkt in het algemeen meer te omvatten dan het begrip 'Het baggerbedrijf'.
~
baggerwerk:
het totaal van handelingen dat bij het
baggeren verricht wordt. Vroeger ook
modderwerk genoemd.
~
baggerwerker:
persoon die in het
baggerwezen werkzaam is.
Ondermeer genoemd in: HIVA-beroepsprofiel Baggerwerker
~
baggerwerktuig:
1> willekeurig stukgereedschap of willekeurige mechanische inrichting gebruikt bij het baggeren.
2> meestal een willekeurig
vaartuig of een willekeurige
drijvende werktuig voorzien van een mechanische installatie waarmee men bagger van de bodem verwijderd. Het woord sluit echter andere, bijvoorbeeld handwerktuigen, niet uit.
Gerelateerde termen:
auger dredger,
backhoe dredger,
baggerlepel,
baggermolen,
baggerploeg,
baggerponton,
baggerzuiger,
dieplepel,
diepmachine,
emmerbaggermolen,
emmermolen,
eureka,
grijpbagger,
grijperhopper,
grijperkraanbagger,
grijperponton,
havenruimer,
hooglepel,
hopperzuiger,
hydraulische stofzuiger,
kraanbaggerponton,
kraanschip,
krabbelaar,
ploegsleepboot,
profielzuiger,
rosbaggermolen,
scraper=dredger,
sleephopperzuiger,
snijkopzuiger,
steekhopperzuiger,
steekzuiger,
tredbaggermolen,
veegboot,
waterinjectieschip,
zuiger,
etc.
~
baggerwerkzaamheden:
de handelingen die tijdens het baggeren uitgevoerd worden.
~
baggerwerkzuiger:
vermoedelijk hetzelfde als een
baggerzuiger.
Term aangetroffen in de liggers van de meetdiensten. De benoeming van het scheepstype, de scheepssoort is soms sterk afhankelijk van de scheepsmeter en kan daardoor afwijken van hetgeen gebruikelijk is.
~
baggerwezen:
alles wat met het
baggeren te maken heeft.
~
baggerwielzuiger:
ander woord voor een
graafwielzuiger/
schijfsnijkopzuiger.
~
baggerzand:
zand dat met een
emmerbaggermolen gewonnen wordt.
Bron: Weekblad Schuttevaer 04-02-1939, via Delpher.nl
~
baggerzone:
het gebied waarbinnen de baggerwerkzaamheden plaats vinden, dan wel het gebied dat gebaggerd moet worden.
Ondermeer genoemd in: HIVA-beroepsprofiel Baggerwerker
~
baggerzuiger:
vaartuig of
drijvend werktuig dat door middel van een krachtige pomp gekoppeld aan een lange buis bagger en grond van de bodem van het vaarwater zuigt. Tegenwoordig vaak een
snijkopzuiger soms ook een
hopperzuiger.
De term baggerzuiger wordt zowel gebruikt voor zuigers die het in de loop der jaren in het water geraakte materiaal verwijderen als voor zuigers die het vaarwater uitdiepen.
~
baggerzuiginstallatie:
mechanische inrichting waarmee bagger (of zand) gezogen kan worden.
Genoemd in: Introduktie Baggerwielzuiger HAM 219 door ing. H.A.M. Roestenberg.
~
bagijnera:
(onderra)
ra van het
toprazeil. Ook
begijnree of
begijnera genoemd.
Volgens enkele bronnen zou aan de bagijnera ook de breefok gehesen kunnen worden. De term komt uit de zeevaart en daar heerst enige verwarring over wat het nu precies is.
Bronnen: Vaartips.nl. | Handleiding tot de kennis van het tuig, de masten, zeilen, enz. van het schip, Door Jan Carel Pilaar, G.P.J. Mossel, 1858. (Via Google Books) | Historische Scheepsmodellen W. zu Mondfeld, Kluwer, Deventer, 1980. | De uitleenwoordenbank (Link) enz.
~
bagijnezeil:
razeil met zowel aan de onder als de bovenzijde een
ra. Ook
begijnezeil genoemd.
In de zeevaart (na 1830) was de bagijnera de onderste ra aan de kruismast. Als daaraan al een zeil gevoerd werd dan had dit geen onderra.
Tegenwoordig misschien geschreven als bagijnenzeil of begijnenzeil?
Zie ook opmerking bij bagijnera.
~
Baileybrug:
demontabele stalen
vakwerkbrug, die uit geprefabriceerde delen samengesteld wordt.
Foto: Stadsarchief Amsterdam,
~
bajesboot:
populaire benaming van een
detentieplatform.
~
bajonetsluis:
sluis, met brede kolk en 'verspringende'
sluisdeuren. D.w.z. dat het ene stel deuren zoveel mogelijk aan
bakboord en het andere stel zoveel mogelijk aan
stuurboord (of omgekeerd) geplaatst is. [Menu
Afbeeldingen sluizen]
De bajonetsluis is een bijzondere vorm van de komsluis.
Eén van de voordelen van de bajonetsluis wordt in het weekblad Schuttevaer van 07-01-1922 behandeld.
- Aanvullende bronnen: Ir. J. A. Postema c.i., Ir. M. F. A. Schiphorst c.i., Ir. W. van der Schrier c.i.; Sluizen, kanalen en havens, N.V. Uitgevers-maatschappij 'kosmos' Amsterdam ca. 1938. | G.J. Arends, Sluizen en Stuwen, Delftse Universitaire Pers 1994.
~
bak:
1> de
romp van het schip, dus ook het gedeelte van een
woonark/woonboot dat de woonark
drijvende houdt.
2> vaak een plomp
vaartuig, meestal zonder enige
opbouwen en zonder eigen voortstuwing. Soms een open
schuit, al dan niet met
voor- en
achterdek en/of
gangboorden. Ook als verkorting van
beunbak.
3> vrijwel rechthoekig
vrachtschip bestemd om met een
duwvaartuig voortgestuwd te worden; verkorting van het woord
duwbak.
4> Belgisch type vrachtschip bestemd voor de vaart op kanalen. Misschien beter bekend als
Waal.
5> bakje: west-Nederlandse term voor bepaalde
roeischouwen. Men kent ondermeer het
bakje van de Bollenstreek en het
Slotens bakje.
6> bakje:
polderschuit(je) dat voor de
visserij gebruikt wordt. [Links:
Overige termen inzake de visserij.]
Bron: Dr. Th. H. van Doorn, Terminologie van Riviervissers in Nederland.
7> algemene aanduiding voor vrij wel rechthoekige vaartuigen, met een nagenoeg plat
vlak, waaronder open bakjes als het
Werfbakje, de
penterbak en de
pikbak, maar ook gesloten bakken zoals
pontons en
drijflichamen.
8> motorschip verbouwd tot
schokker/riviervisser. Term uit de
ankerkuil-schokkervisserij.
Genoemd in: Dr. Th. H. van Doorn, Terminologie van Riviervissers in Nederland.
9> gebruikt als aanduiding voor schepen van Engelse oorsprong:
Engelse bak,
Teems bak. Mogelijk een verbastering van 'barge'.
10> bergplaats voor de ankerketting. Verkorting van het woord
kettingbak.
11> bakje: soort
aalkistje echter op de kleine kanten niet voorzien van een schotje met daarin een opening en daarachter dan de
inkel/keel, maar waarbij de gehele zijkant als opening gebruikt en door de keel in beslag genomen wordt. [Links:
Overige termen inzake het vistuig.]
Genoemd in: Dr. Th. H. van Doorn, Terminologie van Riviervissers in Nederland.
12> de rug of achterzijde van iets.
EEN ZEIL BAK HOUDEN
:
het
zeil tegen de wind in houden. ('De
fok bak
houden' wordt vaak verward met de
fok te loevert zetten.)
BAK LIGGEN
:
a> dusdanig dat de zeilen geen wind vangen.
b> achter iemand
varen.
13> een verhoogd
voordek of het
bakdek.
~
bakanker:
het
anker van een
duwbak of
kopbak.
Bron: overlevering via kustvaartforum.com
~
bakbeest:
onbekende term (zeevaart?) voor een
schip dat
koplastig is.
~
bakbeun:
bepaalde soort open
visbun. Zie bij
bakbun.
~
bakblok:
het blok aan een
sleepbak van een zandlosinstallatie (
zelflosser).
~
bakboord
:
1> wanneer men in de gebruikelijke
vaarrichting kijkt, de linkerkant van het schip. [Lijst:
Uitdrukkingen e.d..] De andere zijde noemt men
stuurboord. Ook benoemd als
bakboord(s)zijde en
bakboord(s)kant.
Onder de gebruikelijke vaarrichting verstaat men de richting waarin het schip zich, behalve wanneer het aan het manoeuvreren is, beweegt.
Bakboord en stuurboord zijn dus afhankelijk van de vaarrichting! Op een heen-en-weer worden de navigatielichten dan ook 'gewisseld'. (Deze schepen bezitten vaak een dubbele verlichting, voor elke vaarrichting één. Afhankelijk van de vaarrichting wordt het ene of het andere set gebruikt.) De meeste andere schepen zullen echter, ook wanneer zij gedurende langere tijd achteruit varen, de normale verlichting blijven voeren.
-Bron: Johan Hendrik van Dale, Van Dale's groot woordenboek der Nederlandsche taal. Nijhoff, Sijthoff, 1914. Via Delpher.nl
AAN BAKBOORD
(aan stuurboord): ten opzichte van de gebruikelijke vaarrichting van het schip aan de linkerkant (rechterkant).
BAKBOORD UIT GAAN
(stuurboord uit gaan): een bocht naar Links (rechts) maken.
HARD BAKBOORD GEVEN
(hard stuurboord geven): een scherpe bocht naar Links (rechts) maken.
OVER BAKBOORD DRAAIEN
(over stuurboord draaien):[Linksom (rechtsom) keren.
OVER BAKBOORD LIGGEN
(over stuurboord liggen): de
giek naar bakboord (stuurboord) uit hebben staan.
2> kreet waarmee men, tijdens het
zeilen, andere zeilschepen, te kennen geeft, dat de ander voorrang dient te verlenen.
~
bakboordachter:
in de
vaarrichting gezien, links achteraan het
vaartuig.
~
bakboordachterbolder:
bolder aan
bakboord op het
achterschip.
~
bakboorddoorvaart:
bij een brug of andere doorvaart met meerdere bruikbare openingen de linker opening. Ook
bakboordsopening genoemd.
Bron: Nieuwe Rotterdamsche Courant, 28-04-1923. Via Delpher.nl.
~
bakboordkant:
wanneer men in de gebruikelijke
vaarrichting kijkt, de linkerkant van het schip. Ook:
bakboord(s)zijde,
bakboordskant, gewoonlijk echter kortweg
bakboord genoemd. [Lijst:
Uitdrukkingen e.d..] De andere zijde noemt men
stuurboord.
Bronnen: Schuttevaer 17-09-1927 en 25-03-1933 (bakboordkant) | Schuttevaer 03-05-1924 en 16-01-1932 (bakboordskant).
~
bakboordlantaarn:
de aan
bakboord geplaatste, rood gekleurde,
boordlantaarn. [
Afbeeldingen navigatielantaarns] Ook als
bakboordslantaarn geschreven en geregeld ook
bakboordlicht genoemd.
Alhoewel velen de term 'licht' gebruiken, als ze het geheel van behuizing en lichtbron bedoelen, is 'lantaarn' een betere benaming.
Bron voor bakboordlantaarn: o.a. Raad voor de scheepvaart 23-09-1910 en
voor bakboordslantaarn: o.a. Algemeen Handelsblad 01-11-1905.
~
bakboordlicht:
1> de aan
bakboord geplaatste, rood gekleurde,
boordlantaarn, dus de
bakboordlantaarn. [
Afbeeldingen navigatielantaarns]
Onder schippers is het enige tijd de gewoonte geweest om van een lantaarn te spreken als het om olielampen ging en van lichten te spreken als het om electrische lamp ging. In feite is echter 'licht' alleen het schijnsel, 'lamp' het lichtgevende object en 'lantaarn' de behuizing waarin de lamp geplaatst is.
Bron: De Tijd 08-09-1936.
2> het schijnsel van de
bakboordlantaarn. Ook als
bakboordslicht geschreven.
~
bakboordmidden:
in de
vaarrichting gezien, ongeveer
midscheeps aan de linkerkant van het
vaartuig.
~
bakboordmiddenbolder:
bolder, ongeveer
midscheeps, aan
bakboord.
'midscheeps' is in dit geval niet geheel juist. De 'midden'bolder staat op kleinere schepen meestal op ongeveer een derde van voor. Grotere schepen hebben vaak meer dan één bolder tussen de voor- en achterbolder, in welk geval men dan van gangboordbolders spreekt
~
bakboordmotor:
bij een aandrijving met twee motoren in of op het
achterschip de motor aan
bakboord.
~
bakboordopening:
bij een brug of andere doorvaart met meerdere bruikbare openingen de linker opening. Ook
bakboordsdoorvaart genoemd.
Bron: Nieuwe Rotterdamsche Courant 10-11-1928. Via Delpher.nl.
~
bakboordsachteranker:
het
achteranker aan
bakboord (bij schepen met 2 achterankers).
~
bakboordsachterboeg:
in de gebruikelijke
vaarrichting gezien, de
boeg,
aan de linker achterkant van het
vaartuig.
~
bakboordsachterlier:
de
achterlier aan
bakboord.
Op sommige van de extreem grote schepen beschikt men zowel voor als achterop over gescheiden ankerlieren, derhalve zal men dus mogelijker wijs van een stuur- en bakboords(voor/achter)(anker)lier spreken.
~
bakboordsanker:
het
anker aan
bakboord.
~
bakboordsankerlier:
de
ankerlier aan
bakboord.
Op sommige van de extreem grote schepen beschikt men zowel voor als achterop over gescheiden ankerlieren, derhalve zal men dus mogelijker wijs van een stuur- en bakboords(voor/achter)(anker)lier spreken. Ook drijvende werktuigen hebben geregeld gescheiden lieren.
~
bakboordsboeg:
in de gebruikelijke
vaarrichting gezien, een
boeg (voor of achter), aan de linker kant van het
vaartuig.
~
bakboordsboeganker:
het
anker op het voorschip aan
bakboord.
~
bakboordsdoorvaart:
bij een brug of andere doorvaart met meerdere bruikbare openingen de linker opening. Ook
bakboordsopening genoemd.
Bron: Uitspraken van den Raad voor de Scheepvaart en uitspraken in beroep van den voorzitter van dien raad, 11-03-1949. Via Delpher.nl.
~
bakboordschroef:
de schroef die zich aan
bakboordszijde van het midden bevindt. Ook als
bakboordsschroef geschreven.
~
bakboordsgang:
een
gang aan de
bakboordszijde van het schip.
~
bakboordsgangboord:
een
gangboord aan de
bakboordszijde van het schip.
~
bakboordsgangboordbolder:
een
gangboordbolder aan de
bakboordszijde van het schip.
~
bakboordsgilling:
staande gilling langs de
bakboordszijde van een
dwarsscheepszeil.
~
bakboordshelft:
die helft van het schip die aan
bakboordszijde van het midden ligt.
~
bakboordskant:
wanneer men in de gebruikelijke
vaarrichting kijkt, de linkerkant van het schip. Ook
bakboord(s)zijde genoemd en als
bakboordkant geschreven. [Lijst:
Uitdrukkingen e.d..] De andere zijde noemt men
stuurboord. Zie verder bij
bakboord.
Bronnen: Schuttevaer 17-09-1927 en 25-03-1933 (bakboordkant) | Schuttevaer 03-05-1924 en 16-01-1932 (bakboordskant).
~
bakboordskokerlier:
de
kokerlier tegen de
bakboordzijde van de
mastkoker.
~
bakboordslantaarn:
navigatielicht aan bakboord. Zie verder bij
bakboordlantaarn.
Internet zoekopdrachten geven aan dat er een lichte voorkeur voor de vorm zonder tussen S bestaat. Zoekresultaten kunnen echter van tijd tot tijd anders uitvallen en per gebruiker verschillen.
Bron: o.a. Algemeen Handelsblad 01-11-1905,
~
bakboordslicht:
navigatielicht aan bakboord. Zie verder bij
bakboordlicht.
Internet zoekopdrachten geven aan dat er een lichte voorkeur voor de vorm zonder tussen S bestaat. Zoekresultaten kunnen echter van tijd tot tijd anders uitvallen en per gebruiker verschillen.
Bron: Leeuwarder koerier 22-06-1946.
~
bakboordslier:
willekeurig lier aan de
bakboordzijde van het schip.
~
bakboordsmastlier:
de
mastlier aan de
bakboordzijde van het schip.
~
bakboordsoever:
in de
vaarrichting gezien: de linker
oever.
~
balboordsonderdoorgang:
aan de linkerzijde gelegen opening die onder een overspanning, bijvoorbeeld een
brug, voert.
Uitspraken van den Raad voor de Scheepvaart en uitspraken in beroep van den voorzitter van dien raad 28-03-1939 via Delpher.nl
~
bakboordsopening:
bij een brug of andere doorvaart met meerdere bruikbare openingen de linker opening. Ook
bakboordsdoorvaart genoemd.
Bron: Weekblad Schuttevaer, 13-11-1937. Via Delpher.nl.
~
bakboordsroer:
het verst aan
bakboord liggend
roer bij installaties met meer dan één roer.
~
bakboordsschroef:
de schroef die zich aan
bakboordszijde van het midden bevindt. Ook bakboordschroef.
~
bakboordston:
ton die men aan
bakboord (links) heeft.
Bron o.a.: Leeuwarder courant, 11-05-1978.
~
bakboordstouw:
rechtsgeslagen touw. Zie verder bij
touw.
~
bakboordstuiglier:
de
tuiglier aan de
bakboordzijde van de
mastkoker.
~
bakboordsvallenlier:
de
vallenlier aan de
bakboordzijde van de
mastkoker.
~
bakboordsvoorboeg:
in de gebruikelijke
vaarrichting gezien, de
boeg, aan de linker voorkant van het
vaartuig.
~
bakboordswal:
in de
vaarrichting gezien: de linker
wal.
~
bakboordswant:
in de
vaarrichting gezien: het
want dat aan de linker zijde van het schip aan de
wantputtings zit.
~
bakboordszijde:
wanneer men in de gebruikelijke
vaarrichting kijkt, de linkerkant van het schip. [Lijst:
Uitdrukkingen e.d..]] Ook
bakboordzijde of
bakboord(s)kant. De andere zijde noemt men
stuurboord.
Zie verder bij
bakboord.
~
bakboordszwaardlier:
de
zwaardlier aan de
bakboordzijde van het schip.
~
bakboordvoor:
in de
vaarrichting gezien, links vooraan het
vaartuig.
~
bakboordvoorbolder:
bolder aan
bakboord
op het
voorschip.
~
bakboordzijde:
wanneer men in de gebruikelijke
vaarrichting kijkt, de linkerkant van het schip. Ook
bakboordszijde en
bakboord(s)kant. [Lijst:
Uitdrukkingen e.d..] De andere zijde noemt men
stuurboord. Zie verder bij
bakboord.
~
bakbun:
visbun waarvan de bovenkant geheel open is.
Deken en
trog ontbreken. In plaats daarvan zijn beide
bunschotten hoog en is de bun langsscheeps in tweeën gedeeld. Door sommigen ook
bakbeun genoemd.
Het onderscheid tussen bun en beun is, door plaatselijk taalgebruik moeilijk te maken. De twee termen zijn daardoor geregeld door elkaar gehaald.
~
bakdek:
duidelijk hoger liggend
voordek.
~
bakdekaak:
niet bekend. Mogelijk een
dekaak met
beun; een
beundekschuit,
bakschuit. [Links:
Diverse termen inzake dek- en zolderschuiten.]
Term aangetroffen in de liggers van de meetdiensten.
De benoeming van het scheepstype, de scheepssoort is soms sterk afhankelijk van de scheepsmeter en kan daardoor afwijken van hetgeen gebruikelijk is.
~
bakdekker:
motorvaartuig met een verhoogd
voordek en een daarop aansluitende
stuurhut of
stuurstand. Voluit vaak
bakdekkruiser genoemd. Tegenwoordig vooral als pleziervaartuig of
rondvaartboot nog in gebruik. Vroeger bezaten ook overheidsdiensten als politie en GGD dergelijke scheepjes.
De term 'bakdekker' wordt hier gebruikt als verzamelnaam voor een aantal op elkaar gelijke types. Opname van deze types valt mijns inziens buiten het bestek van deze site. Zie daarvoor op de website: oudeglorie.nl.
~
Bakdekkruiser:
motorkruiser met verhoogd voordek. Zie bij
bakdekker.
~
Bakeetje:
vrachtscheepje. Ander woord voor het scheepstype
Baquet de Charleroi.
~
Bakeke:
vrachtscheepje. Ander woord voor het scheepstype
Baquet de Charleroi.
~
baken:
1> Elk herkenbaar punt dat door een
schipper ter oriëntering gebruikt kan worden. Gerelateerde term:
kustsilhouet.
2> Alle, ten behoeve van de
scheepvaart, in of nabij het water geplaatste voorwerpen, die voor het volgen van het
vaarwater van belang zijn. Voluit eigenlijk
scheepvaartbaken geheten.
Vroeger ook
zeeteken of
baak genoemd.
Ondermeer te onderscheiden in:
lichten en vuren,
boeien en tonnen,
opstanden en
steekbakens.
Zie ook tekst:
Betonning en bebakening en links:
Diverse termen inzake de bebakening.
~
bakenboei:
een drijvend
baken. Een vrij onbekend synoniem voor wat men gewoonlijk alleen maar
boei noemt.
[Links:
Diverse termen inzake de bebakening]
Aangezien niet elke boei een baken hoeft te zijn en niet elk baken drijft, is het min of meer vanzelfsprekend dat een term als bakenboei zal bestaan. Toch wordt de term slechts hoogst zelden gebruikt. De term boeibaken welk ondermeer door het Dolfinarium in Harderwijk gebruikt wordt berust waarschijnlijk op een verschrijving/verspreking.
De term bakenboei wordt ondermeer gevonden in de Vlissingse Courant van 12-06-1879 (via Delpher.nl)
~
bakenboom:
naam voor de bomen op de oevers van de Maas beneden Heumen, en op de oevers van de Amer en Bergse Maas. Ze zijn gepland om bij overstroomde uiterwaarden, de loop van de oever af te bakenen en zo een veilige vaart mogelijk te maken. Die functie hebben ze inmiddels goeddeels verloren onder andere door hier en daar een radarbaken op een paal te plaatsen. [Links:
Diverse termen inzake de bebakening.]
Bron: ex-RWS beambte.
~
bakenboot:
patrouillevaartuig waarmee men toezicht houdt op de
bebakening. Het is dus niet hetzelfde als een
betonningsvaartuig. [Links:
Diverse termen inzake de bebakening.]
Eigenlijk mag men alleen de OPEN vaartuigen boten noemen, alle andere vaartuigen zijn SCHEPEN of SCHEEPJES. [uitleg].
~
bakendienst:
instantie die het beheer over de
scheepvaartbakens heeft. Tegenwoordig is dat de plaatselijke
waterwegbeheerder. [Links:
Diverse termen inzake de bebakening.]
Bron: Johan Hendrik van Dale, Van Dale's groot woordenboek der Nederlandsche taal. Nijhoff, Sijthoff, 1914. Via Delpher.nl
~
bakenen:
de vaarweg van bakens voorzien. Zie
afbakenen.
Bron: Johan Hendrik van Dale, Van Dale's groot woordenboek der Nederlandsche taal. Nijhoff, Sijthoff, 1914. Via Delpher.nl
~
bakengeld:
geld dat de
schippers voor het plaatsen en onderhouden van
bakens moesten betalen. Ook
bakenlast,
bakenrecht,
tongeld of
tonnengeld,
teekengeld en te Enkhuizen, alwaar het voornamelijk de ondieptes waren die bebakend werden,
bankengeld genoemd. Zie ook links:
Diverse termen inzake de bebakening]
Bron o.a.: Johan Hendrik van Dale, Van Dale's groot woordenboek der Nederlandsche taal. Nijhoff, Sijthoff, 1914. Via Delpher.nl
~
bakening:
oude vorm van het woord
bebakening.
~
bakenkwartier:
administratieve verdeling van
betond of verlicht vaarwater. Ook
loodskwartier genoemd.
[Links:
Diverse termen inzake de bebakening.]
Gevonden in: Handboek voor de binnen-schippers door J.G.C. Meijer Hoogeveen 1855. | Johan Hendrik van Dale, Van Dale's groot woordenboek der Nederlandsche taal. Nijhoff, Sijthoff, 1914. Via Delpher.nl
~
bakenlast:
geld dat men voor het plaatsen en onderhouden moet betalen. Zie ook
bakengeld.
Bron: staatsblad nr. 52 1837.
~
bakenlicht:
lantaarn of vuur dat op een
baken geplaatst is om de zichtbaarheid of herkenbaarheid te vergroten. Ook kortweg
licht genoemd.
Ondermeer genoemd in: Beschrijving der Nederlandsche Zeegaten, Volume 6, 1898.
Gerelateerde termen:
fanaal,
navigatielicht,
pat,
enz. [Links:
Diverse termen inzake de bebakening.]
~
bakenlijn:
denkbeeldige lijn, die een aantal bij elkaar horende
bakens, met elkaar verbindt.
Vergelijk:
boeienlijn,
tonnenlijn,
lichtenlijn. [Links:
Diverse termen inzake de bebakening.]
~
bakenlood:
bewijs van betaling van het
bakengeld.
Zie ook
scheepvaartpenning. [Links:
Diverse termen inzake de bebakening.]
~
bakenmeester:
ambtenaar, die ondermeer toezicht houdt op de
bebakening. [Links:
Diverse termen inzake de bebakening.]
Bron: Johan Hendrik van Dale, Van Dale's groot woordenboek der Nederlandsche taal. Nijhoff, Sijthoff, 1914. Via Delpher.nl
~
bakenplicht:
aan de waterbeheerder opgelegde verplichting gevaarlijke ondieptes en objecten in voldoende mate te markeren en deze markeringen te onderhouden. [Links:
Diverse termen inzake de bebakening.]
Alleen een recente geschreven bron gevonden. Namelijk: Verkenning van de aanwezigheid van rifvormende schelpdierbanken op locaties voor nieuwe mossel percelen door Henrice Jansen, Jack Perdon, Carola Zweeden.
~
bakenrecht:
geld dat men voor het plaatsen en onderhouden moet betalen. Zie ook
bakengeld.
Bronnen: staatsblad nr. 52 1837. | Johan Hendrik van Dale, Van Dale's groot woordenboek der Nederlandsche taal. Nijhoff, Sijthoff, 1914. Via Delpher.nl
~
bakenschip:
schuitje, meestal voorzien van een geheel gesloten
dek, dat als
drijflichaam voor bepaalde
dagtekens en
lichten dienst doet. Daarom meestal ook
bakenscheepje genoemd.
Gerelateerde termen:
wrakscheepje,
klokbakenscheepje,
enz. [Links:
Diverse termen inzake de bebakening.]
~
bakensteen:
steen die als verzwaring voor
bakens, bijvoorbeeld in de
visserij, gebruikt werd.
Bron: Peter Dorleijn, Van gaand en staand want, deel 4. Harderwijk, Uitg. Van Kampen & zn, 1982.
~
bakenstok:
staak, die als baken fungeert. Ook slechts
baak genoemd. Zie ook
steekbaken en links:
Diverse termen inzake de bebakening.
Bron: Johan Hendrik van Dale, Van Dale's groot woordenboek der Nederlandsche taal. Nijhoff, Sijthoff, 1914. Via Delpher.nl
~
bakenton:
weinig gebruikt synoniem voor wat men gewoonlijk alleen maar een
ton noemt.
In tegenstelling tot de samenstelling bakenboei, zou men, volgens mij, bij bakenton kunnen spreken van een dubbelzegging. Voor zover mij bekent hebben namelijk alle tonnen, die in het water liggen de functie van een baken. De term tonbaken berust waarschijnlijk op het abusievelijk verwisselen van de twee leden van de term of is gevormd naar analogie met tonboei.
[Links:
Diverse termen inzake de bebakening.]
Bron: Johan Hendrik van Dale, Van Dale's groot woordenboek der Nederlandsche taal. Nijhoff, Sijthoff, 1914. Via Delpher.nl
~
bakenwezen:
organisatie die de zaken de bebakening van vaarwateren betreffende regelt en van middelen voorziet.
Bron: Scheepvaartverkeerwet van Wet van 7 juli 1988. Via wetten.overheid.nl
~
bakjesknapper:
bijnaam voor de
Bronsmotoren die met een zogenaamd
verstuiverbakje [Tekst:
Scheepsmotoren] werkten.
Ondanks het feit dat men in bepaalde kringen doet als of het om een alom bekende term gaat, blijkt deze kreet nog nauwelijks tot het gedrukte woord door gedrongen te zijn. Via Delpher en De Krant van toen heeft de Leeuwarder Courant van 22-06-1993 de oudste vermelding op zijn naam staan.....
~
Bakje van de Bollenstreek:
circa 4 meter grote
roeischouw uit de streek tussen Bennebroek en Sassenheim. Verder geen gegevens bekend. [Links:
Diverse boerenvaartuigen e.d.]
~
bakka:
visbun, waarvan de bovenkant gelijk met het bovenboord van het vaartuig komt. Een afdekking ontbreekt dus. Dit werd ondermeer te Wilsum en te Wijhe toegepast. [Links:
Diverse termen de inzake visserij.]
Genoemd in: Dr. Th. H. van Doorn, Terminologie van Riviervissers in Nederland.
~
bakkaar:
naar men zegt: een
kaar die op de waterleiding aangesloten is om de carbolsmaak bij vis of paling kwijt te raken.
Bron: Dr. Th. H. van Doorn, Terminologie van Riviervissers in Nederland.
Het lijkt me dat men 'kaar' hier moet zien als 'een bak waarin men de vis levend houdt' een kuip dus.
~
bakkenblok:
het
blok dat aan de
sleepbak van de
zelflosser bevestigd is.
Bakblok is een andere term die voor dit blok gebruikt wordt.[Tekst:
Zelflossers.]
~
bakkenboot:
sleepboot of tegenwoordig vaak een
duwsleepboot die met
baggerbakken en dergelijken vaart, maar ook gewone
sleepboten die
vuilnisschuiten of
elevatorbakjes slepen werden wel bakkenboten genoemd.
Bronnen: Schuttevaêr; weekblad gewijd aan de belangen van den handel en de binnenlandsche scheepvaart, 02-04-1921. (via Delpher) | kustvaartforum.com | kombuispraat.com | oudbroek.nl e.d.
~
bakkenlaadzuiger:
vermoedelijk een
zuiger die speciaal voor het laden van
elevatorbakken en dergelijke bedoeld is; een
bakkenlader.
Term aangetroffen in de liggers van de meetdiensten. De benoeming van het scheepstype, de scheepssoort is soms sterk afhankelijk van de scheepsmeter en kan daardoor afwijken van hetgeen gebruikelijk is.
~
bakkenlader:
niet voldoende bekend. Vermoedelijk een
zuiger die speciaal voor het laden van
elevatorbakken en dergelijke bedoeld is.
Term voorkomend in de liggers van de meetdiensten. De term wordt bijna uitsluitend in combinaties gebruikt; bijvoorbeeld in profielzuiger/bakkenlader
De term wordt ondermeer gebruikt in de liggers van de meetdiensten.
~
bakkenprofielzuiger:
mogelijk een
bakkenzuiger, die ook als
profielzuiger gebruikt kan worden.
~
bakkenschipper:
het verantwoordelijke persoon op een
gesleept ponton of
bak(vaartuig).
~
bakkenzuiger:
soort van
zandzuiger die ingericht is om
bakken en
beunschepen leeg te zuigen. Soms ook
elevator genoemd; een term die men ook voor
graanzuigers,
bunkermachines e.d. gebruikt
De bakkenzuiger is daartoe uitgerust met een zuigbuis aan de zijde van de bak. Tevens heeft de zuiger een tweede pompinstallatie waarmee water met grote kracht in het te lossen vaartuig gespoten kan worden. De meeste bakkenzuigers kunnen ook als gewone zandzuiger gebruikt worden en hebben daarvoor dus ook de normale zuigbuis.
~
bakkenzuigerschip:
ander woord voor een
bakkenzuiger.
~
bakkes:
bovenste deel van de
roerkop bij Vlaamse schepen met een
statie. Ook
bakkens of
kinbakkes genoemd. De uitholling daaronder noemt men de
muil.
Bron: Vlaamse en Brabantse Binnenschepen uit de 18de en 19de eeuw door Maurice Kaak, Gent 2010.
~
baklicht:
oude naam voor een, in een
lichtbak geplaatst,
boordlicht.
~
bakliggen:
1> met gehesen
zeilen stilliggen.
Zie ook
bak liggen.
Het al dan niet aan elkaar schrijven van woorden, lijkt aan modes onderhevig te zijn.
2> in een dusdanige positie liggen dat de wind van de verkeerde zijde in de
zeilen valt.
~
bakloper:
1> de draad, een
loper, waarmee de
sleepbak van een
zelflosser in het
ruim getrokken wordt.
2> persoon, die achter de sleepbak loopt om deze in de juiste richting te sturen.
~
bakpontonschip:
niet geheel duidelijk. Het
vaartuig van Tak's bergingsbedrijf heeft, zo blijkt, later dienst gedaan als
hijsponton/
bok.
~
bakpraam:
vermoedelijk een open
vaartuig van het type
praam. Mogelijk gaat het om een
boerenvaartuig.
Term voorkomend in de liggers van de meetdiensten (meetbrief Mp334N).
De benoeming van het scheepstype is soms sterk afhankelijk van de scheepsmeter en kan daardoor afwijken van hetgeen gebruikelijk is.
~
bakschip:
nog onbekend; mogelijk een (
motor)
vaartuig met een rechthoekig model en open
laadruim.
Vergelijk:
sleepbak.
~
bakschuit:
schuit met het model van de
Amsterdamse dekschuit maar met een
ruim of
beun (een
beundekschuit),
gangboorden,
voor- en
achterdek in plaats van met één doorlopend
dek. Dit type heeft zeer brede voor- en achterkanten, vaak voorzien van een zware
stootbalk. Ook bekend als
vuilnisschuit,
grofvuilschuit of als
straatvuilschuit. [Links:
Diverse termen inzake dek- en zolderschuiten.]
Ook de voorloper van de dekschuit, de
Amsterdamse lichter kende een uitvoering met een open ruim.
Zie ook
Ark.
~
Bakskes:
populaire benaming voor een
Baquet de Charleroi.
~
bakspier:
lange
boom waarmee het
zeil, bij weinig wind, in model gehouden werd. Zie ook
fokkeloet.
~
bakstag:
paarsgewijs aangebrachte
staaldraden of
touwen, die de
mast bij achterin komende wind steunen. Ze lopen van
masttop naar de
boorden een flink eind achter de mast. [
Afbeelding]
Lang niet alle zeilschepen bezaten bakstagen. Weliswaar kan men bij het gebruik van bakstagen met een lichtere mast volstaan, maar de bakstagen zitten bij het zeilen de giek in de weg. Gewoonlijk heeft men alleen de bakstag aan loefzijde vast staan. Verandert men dusdanig van koers dat loef en lij wisselen, dan zal men voortijdig de bakstag los moeten maken, de giek over moeten laten komen en de andere bakstag, die dan dus aan loef zit, vast moeten zetten. De bakstag is meestal met een haak aan een bakstagputting gehaakt en voorzien van een takel, de bakstagstalie, zodat men de lengte kan variëren en de spanning kan regelen.
Gerelateerde termen:
klaploper,
bakstagsblok,
bakstagtalie,
enz.
~
bakstagblok:
blok dat gebruikt wordt in de
takel waarmee de
bakstag gespannen wordt. Ook geschreven als
bakstagsblok. In oude vorm is het bakstagsblok vaak voorzien van een ketting met haak waarmee het in de
bakstagsputting gehaakt kon worden. In de ketting was soms een
belegkruis opgenomen.
[Afbeelding
bakstagblok.]
Bron: Fries Scheepvaartmuseum.
Deze combinatie wordt soms ook mantelblok genoemd. Soms echter ook schinkelblok; in de zeevaart verstaat men daar echter een geheel ander soort blok onder.
De term bakstagsblok lijkt gezien de zoekresultaten bij Google weinig gebruikt te worden.
~
bakstagklaploper:
eigenlijk een
klaploper, waarmee de
bakstag op spanning gebracht wordt. Echter ook gebruikt als synoniem voor
bakstagstalie. Ook wel als
bakstagsklaploper geschreven.
~
bakstagloper:
1>
de
loper van de
takel, waarmee de
bakstag op spanning gebracht wordt.
2> verwarrende verkorting van
bakstagsklaploper.
~
bakstagputting:
putting voor de bevestiging van de
bakstag.
[nr.5 in
Afbeelding]
~
bakstagsgewijze:
zoals de
bakstagen dus schuinsweg.
Bron: Geïllustreerd woordenboek, R.K. Kuipers, 1901.
~
bakstagsklaploper:
eigenlijk een
klaploper, waarmee de
bakstag op spanning gebracht wordt. Echter ook gebruikt als synoniem voor
bakstagstalie. Ook wel
bakstagklaploper genoemd.
~
bakstagsklaploperblok:
blok van de
bakstagsklaploper.
~
bakstagsmantel:
het
touw, de
staaldraad of soms ook een stuk ketting, tussen
bakstagstalie en de
masttop.
~
bakstagskoelte:
zwakke tot matige wind schuin van achter. Zie ook bij
windkracht.
Vermeld in: R.K. Kuipers, Geïllustreerd woordenboek der Nederlandsche taal.... Elsevier,1901. Via Delpher.
~
bakstagskraag:
lus, strop, waarmee de
bakstag rond de
masttop ligt.
Vermeld in: R.K. Kuipers, Geïllustreerd woordenboek der Nederlandsche taal.... Elsevier,1901. Via Delpher.
~
bakstagstakel:
takel waarmee men de
bakstag strak zet. Zie ook
bakstagstalie.
~
bakstagtalie:
takel waarmee de
bakstag op spanning gebracht kan worden. Ook geschreven als
bakstagstalie. Door sommigen
bakstagstakel genoemd.
Vaak werd hiervoor een klaploper gebruikt. Daardoor is men bakstagsklaploper als synoniem voor bakstagstalie gaan gebruiken, doch op grotere schepen gebruikt men vaker een zwaardere takel dan een klaploper. In de afbeelding ziet men bij K de loper van de klaploper en bij de de loper van een derdehandtakel, samen vormen ze de bakstagtalie.
~
bakstagtalieblok:
één der
blokken van de
bakstagtalie.
Bron: beschrijving op Maritiemdigitaal.
~
bakstagswind:
wind schuin van achteren.
Nicolaas Witsen zegt echter; "Een tamelyk harde wint, zoo, dat het touw, genaamt de Bakstagh, daar het zeil tegen komt, styf staat, en niet labbert. Als men ruim half wint zeilt."
~
bakzeil:
eigenlijk een
zeil waar de wind 'van achteren' inkomt.
BAKZEIL HALEN
: de verliezende partij zijn. Zie verder bij
bakzeilhalen.
~
bakzeilhalen:
vaart moeten minderen, door de zeilen
bak te zetten, om een ander voorrang te verlenen. [Lijst:
Uitdrukkingen e.d..]
~
bal:
1> bolvormig
dagteken, meestal
bol genoemd.
2> GELE BAL
:
gele cirkel met daarin een letter-cijfercombinatie.
Het nummer in de cirkel was het lidmaatschapsnummer van de
Vereeniging Centrale Baggerbedrijf. De letter gaf de categorie waartoe het vaartuig behoorde aan. Het teken werd op of nabij de
boegen geschilderd.
Gerelateerde term:
stilligfonds.
3> GELE BAL
:
dagteken dat door het laatste
gesleepte schip in een
sleep gevoerd wordt(werd). [
Afbeelding]
~
balandre:
houten sleepvrachtschip. Verbastering van
Bijlander.
~
balans:
het kantelende bovendeel van een
ophaalbrug ook
wip genoemd. Elk der 'armen' wordt een
balanspriem genoemd. [Links:
Diverse termen inzake bruggen].
~
balanspriem:
elk der armen waar de
klep van een
ophaalbrug aan hangt. Ook kortweg
priem genoemd. Zie ook
balans en links:
Diverse termen inzake bruggen.
~
balansroer:
roer, waarbij de druk van het
schroefwater op het gedeelte van het
roerblad voor de
roerkoning, bijna net zo groot is als de druk op het achterste deel. Soms ook
evenwichts- of
tolroer genoemd.[
Afbeelding]
~
balenklauw:
hijshulpmiddel met tweemaal twee kleine haken waarmee ondermeer zakgoed gehesen werd.
Zie ook
zakhaak.
~
Balant:
soms gebruikt als typenaam voor een houten, ca 45m lang, 6 m. breed en 2,8 m!!! hol schip
1. Een schip dat door paarden gejaagd werd en daarom meestal in span voer: de roef van het ene schip was de paardenstal en in de roef van het andere schip de woning. Eventueel kon er een razeiltje gevoerd worden. De schepen voeren, voornamelijk met ijzererts, tussen Straasburg en Rotterdam, Amsterdam en Antwerpen. De schepen schenen licht gebouwd te zijn, zodat het laden omzichtig moest gebeuren. De naam werd ook wel als
Ballant geschreven.
Het voorgaande is niet erg logisch. Van een schip dat gewoonlijk een zware lading (sd ±3,2 kg/dm3) vervoert, zou men verwachten dat deze stevig gebouwd is en een niet al te grote holte heeft. Mogelijk is er ook een typfout en moet de holte 1,8 meter zijn, want de kanalen waren niet erg diep. Men kan zich afvragen of het trouwens niet 35 x 5 x 1,8 meter moet zijn. Dat is namelijk een maat die bij de bijlander genoemd wordt.
Petrejus stelt verder dat het een familielid van de
Herna was; "een goedkoop, licht gebouwd vaartuig dat in de buurt van Straatsburg veel gebouwd werd...... Ook bij dit schip was de grootspantdoorsnede geheel rechthoekig. Voor- en achterschip waren vrijwel aan elkaar gelijk, de voor- en achtersteven waren recht en van boven iets omgebogen. Het schip had voor en achter zware berghouten, die in de boegen zeer kort waren omgebogen; in de zij had men de berghouten weggelaten....."
Ook uit de verdere beschrijving blijkt dat Petrejus geen schip dat op een Herna, maar een schip dat op een
Waal/Bak lijkt, bedoelt.
Franse bronnen geven als meest overeenkomende naam Bélandre, dat is echter wat men gewoonlijk een Doornikker noemt, welk schip gewone spitsenmaten heeft. Mogelijk zijn de aantekeningen die Petrejus bij zijn werk gebruikte door elkaar geraakt.
Bronnen: 1. E.W. Petrejus Scheepsmodellen, Bussum 1973, blz. 128 en Petrejus, Oude zeilschepen Bussum 1964 blz. 101. Verder o.a. kustvaartforum.com, projetbabel.org/fluvial/ (franstalig). Informatie via Museum Baasrode, M.Seghers en R. de Bock: Schepen op de Schelde, Antwerpen 1960.
~
Balantschip:
vermoedelijk het zelfde als een
balant.
Term aangetroffen in de
liggers van de
meetdiensten alwaar een schip van ca. 39 x 5,05 meter groot circa 330 ton genoemd wordt.
De liggers kennen ook een Bijlandschip met ongeveer gelijke maten!
De benoeming van het scheepstype, de scheepssoort is soms sterk afhankelijk van de scheepsmeter en kan daardoor afwijken van hetgeen gebruikelijk is.
~
balfuik:
vistuig ongeveer overeenkomend met de
aalkubbe. Soort
fuik met aan beide zijde een opening voorzien van een
inkel. Circa 1 meter lang en met slechts enkele hoepels. Ook trommel genoemd.
Genoemd in de Historische woordenboeken op gtb.ivdnt.org.
.
~
balg:
1> van boord tot boord rijzende opbouw of huif. Zie ook bij
tent.
2> opklapbaar voordek dat aan de zijden gesloten wordt met zeildoek. Zie verder bij
blaasbalg.
3> geul in de
buitengronden.
De term schijnt alleen in de noordelijke Nederlanden gebruikt te worden.
Bron: Historische woordenboeken op gtb.ivdnt.org.
~
balgstuw:
stormvloedkering bestaande uit een grote 'rubberen' balg, die in lege toestand in een goot dwars in het vaarwater ligt en die in opgeblazen toestand het
vaarwater volledig
afdamt.
Bron: Rijkswaterstaat.nl. Reeds in 1969 werd een dergelijke waterkering getest. De blagstuw Ramspol is sinds 2002 in gebruik.
~
balie:
grote houten kuip of ton.
Bron: Historische woordenboeken op gtb.ivdnt.org.
~
baliën:
een ton of vat, waarin het
gehoosde water verzameld is, uit het
schip brengen en
overboord leeg kiepen. In oudere teksten vaak synoniem voor
hozen, waarbij men dan ook wel de term
uitbaliën hanteerde.
Bron: Historische woordenboeken op gtb.ivdnt.org.
~
balk:
1> hoofdkabel van het
hoekwant. Soms ook de
reep genoemd.
Bron: Peter Dorleijn, Van gaand en staand want, deel 5. Lemmer, Uitg. Van Kampen & zn, 1982.
2> Alhoewel het begrip het beste verklaard wordt met: een recht stuk hout met een rechthoekige of weinig daarvan afwijkende doorsnede en een lengte vele malen groter dan breedte of dikte, blijkt uit diverse samenstellingen dat men ook geschilde houten stammen 'balken' noemt. Zie
balkengat,
balkenhaven,
balkenvlot,
balkenvlotter,
balkenvlotterspoor,
balkhaven en
balkvisser.
~
balkanker:
stokanker met een zware dwarsbalk; de
ankerbalk.
~
balkenboothaven:
haven voor zeeschepen, die gezaagd hout of boomstammen, komen laden of lossen.
Ondermeer in: Schuttevaer, 14-03-1925. (via Delpher)
~
balkengat:
gedeelte van het
vaarwater of een
haven, dan wel aan het vaarwater grenzend gat, waarin men boomstammen
waterde of bewaarde. Zie ook de tekst bij
balk.
De term houtkolk of houtvijver die men ook wel hoort, schijnt vaker gebruikt te zijn voor balkengaten zonder bevaarbare verbinding.
~
balkenhaven:
1> een haven waarin men houten stammen bewaarde; een
houthaven. Ook wel
balkhaven genoemd. Het fungeerde echter min of meer ook als een groot
balkengat. Zie ook de tekst bij
balk,
balkhaven en
balkenboothaven.
Ondermeer in: De ingenieur jrg 17, 1902, Schuttevaer, 14-03-1925. (via Delpher)
2> haven waarin hout met schepen aangevoerd werd. Ook
houthaven of
balkhaven genoemd.
Ondermeer in: De ingenieur jrg 17, 1902 www.zaanwiki.nl
~
balkenvlot:
vlot samengesteld uit geschilde houten stammen. Ook
houtvlot genoemd. Zie ook de tekst bij
balk.
~
balkenvlotter:
iemand die werkzaam is bij het samenstellen of transporteren van
balkenvlotten. Ook
vlotter of
vlotvoeder genoemd. Zie ook de tekst bij
balk.
Bron: van Dale's woordenboek der Nederlandse taal, 1914.
~
balkenvlotterspoor:
los metalen, van punten voorzien, beslag, dat
balkenvlotters onder hun laarzen bonden om het uitglijden op de natte stammen te voorkomen. Zie ook de tekst bij
balk.
Bron: historisch-zaandam.nl .
~
balkgat:
stuk water waarin men boomstammen waterde. Zie verder bij
balkengat.
Bron: van Dale's woordenboek der Nederlandse taal, 1914.
~
balkhaak:
1>
knijpende constructie met twee haakvormige benen om zware balken te hijsen. Ondermeer in gebruik bij
mastenmakerijen.
2> ander woord voor
boomhevel/kanthaak.
Bron: van Dale's woordenboek der Nederlandse taal, 1914.
~
balkhaven:
een haven waarin men houten stammen bewaarde; een
houthaven. Ook balkenhaven genoemd. Het fungeerde echter min of meer ook als een groot
balkengat. Zie ook de tekst bij
balk,
balkenhaven en
balkenboothaven.
Bron: van Dale's woordenboek der Nederlandse taal, 1914.
~
balkvisser:
1> persoon, die bij het laden of lossen van zeeschepen die hout vervoeren, het overboord gevallen hout opvist.
2> het
schuitje dat de balkenvisser gebruikt.
~
balkweger:
a> balk of zware plank in
langsscheepse richting tegen de binnenzijde van de romp.
Bronnen o.a.: J. Ploeg, Bezanen en Gaffelaars. Uitg. Lanasta. Emmen 2008.
b>
bij sommige scheepstypen: als 'a' maar vanuit het achterschip onder de dekknieën langs tot onder het voordek doorlopend. Vaak ook
dekweger genoemd.
Gerelateerde termen:
weger,
kimweger,
balkwegering,
binnenboord.
~
balkwegering:
bovenste, meestal wat dikkere, en vaak niet uitneembare, plank van de
wegering.
~
ballast:
1> gewicht dat tot doel heeft het
schip zwaarder te maken of waarmee men het schip wilt
trimmen. Ook
scheepsballast genoemd.
Schepen die een zeer lichte lading moesten vervoeren, zoals hooi, vlas of stro, laadden vaak eerst een beperkte hoeveelheid zware lading, zoals wetaal, steen, zand, e.d. Het schip won daardoor aan stabiliteit en koersvastheid. (Bron: kustvaartforum.com)
Gerelateerde termen:
ballastbroodje,
ballastschuitje,
ballastpomp,
ballasttank,
ballastwater,
ballastzand,
schuitenballast,
HALF DODE BALLAST
: passagiers aan
boord van een
zeilschip (die indien nodig naar
loef gestuurd kunnen worden).
2> slecht betaalde lading in
EEN REISJE IN BALLAST DOEN
.
Om niet leeg, dus geheel zonder verdienste, 'terug' te moeten, een slecht betalende lading vervoeren.
3> bepaalde kwaliteit zand. Verkorting van
ballastzand.
~
ballastbak:
1> ongeveer
midscheeps geplaatste,
dwarsscheeps verschuifbare, houten kist waarin
ballast, meestal in de vorm van zandzakjes, geplaatst is. De ballastbak wordt gebruikt om bij kleine, enigszins
overtuigde,
scheepjes, zoals bijvoorbeeld de
Tjotter, het
vaartuig minder scheef te doen gaan. Voor grotere schepen gebruikt men een
ballastkist.
2> oude benaming voor een open vaartuig voor het vervoer van zand of grind (om al dan niet als ballast gebruikt te gaan worden) Zie ook
ballaster en
ballastschip.
~
ballastbroodje:
hanteerbare hoeveelheid lood- of ijzer in een rechthoekige vorm tot
ballast bestemd. Ook ,
ballastschuitje en vroeger ook wel
schuitenballast of
slak genoemd.
Bron: Mr. J. van Lennep, Zeemanswoordenboek 1856. (via DBNL)
~
ballasten:
extra gewicht,
ballast, innemen of aanbrengen.
Bron: Mr. J. van Lennep, Zeemanswoordenboek 1856. (via DBNL)
~
Ballaster:
1> schip dat zand voor het ballasten vervoert. Zie ook bij
Dordtse zandschuit.
Reglement voor de Trekjagerij langs de Amstel, de Drecht en Aar...... Kramer en zoon, Amsterdam 1826.
2> iemand die ballast verhandelt, verscheept, aanbrengt.
Ballastzand werd meestal door de schipper-handelaar zelf gewonnen.
~
ballastgewicht:
1> de massa van al het gene dat als ballast fungeert.
2> bepaalde steeds binnen het schip aanwezige massa die, afhankelijk van de positie die het schip inneemt, binnen het schip verplaatst wordt. In de binnenvaart niet gebruikelijk geweest.
~
ballasting:
de daad van het
ballasten.
Bron: Mr. J. van Lennep, Zeemanswoordenboek 1856. (via DBNL)
~
ballastinrichting:
de term heeft voornamelijk betrekking op de pompen, afsluiters, aan- en afvoerleidingen die bij het ballasten gebruikt worden.
~
ballastjet:
werktuiglijk aangedreven waterpomp met zeer grote capaciteit, waarmee men een schip
ballast.
Tegenwoordig maakt men veelvuldig gebruik van in een pijp draaiende schroef, die veel weg heeft van een scheepsschroef zoals gebruikt in boegschroeven en straalbuizen. De schroef wordt vaak middels een electromotor aangedreven. De pomp is onder de waterlijn aangebracht. Om het ongewild in- of uitstromen van water te voorkomen wordt de pijp door middel van een (op afstand bedienbare) afsluiter gesloten.
~
ballastkaag:
niet voldoende bekend. Waarschijnlijk een
Kaag waarmee men de ballast in de vorm van stenen of zand voor de zeeschepen aan- of wegbracht.
Ter informatie: zeeschepen mochten, vanwege de verondieping van de Zuiderzee op veel plaatsen geen ballast over boord zetten.
~
ballastkist:
kist waarin men ballast kan plaatsen. Soort van grote
ballastbak.
Bron: Mr. J. van Lennep, Zeemanswoordenboek 1856. (via DBNL)
~
ballastlichter:
scheepje dat ballast vervoert. Volgens
Mr. J. van Lennep Zeemanswoordenboek 1856 neemt men de
ballast uit de zeeschepen over.
Bron: Mr. J. van Lennep, Zeemanswoordenboek 1856. (via DBNL)
Gerelateerde termen:
zandlichter,
steenlichter.
~
ballastpomp:
pomp waarmee men
ballastwater in en uit de
ballastruimte kan pompen. Zie ook links
Pompen, onderdelen en gebruik.
~
ballastpont:
vrachtschip van het type
Pont dat
ballastzand vervoerd.
~
ballastpraam:
1> vaartuig van de stadsreiniging voor het verzamelen en transporteren van zwerf- en huisvuil.
Het is niet onwaarschijnlijk dat het hier feitelijk om een praam gaat, die oorspronkelijk voor het vervoer van ballastzand gebruikt werd.
De ijzeren ballastpraam waarvan in het archief van Leiden een tekening te vinden is heeft veel weg van een kruising tussen een gewone praam en een vlotschuit.
2> eenvoudige
schuit waarmee men ballastzand in de haven vervoerde.
~
ballastreis:
1> het vervoer van
ballast waarmee men zeeschepen verzwaard (
zand, grind bijvoorbeeld)
2> een reis met een onvolledige of slecht betalende lading.
3> een reis met
ballastzand voor ophogingen en dergelijke maken.
Vermeld in het logboek van schipper Hoogmoed uit Oude Wetering.
~
ballastruimte:
ruimte die benut kan worden om ballast te bergen.
Bij waterballast maakt men bij dubbelwandige schepen vaak gebruik van de ruimtes die tussen de wanden overblijft. Er is dan dus geen aparte ballasttank. Spitsen kunnen vaak een deel van het ruim, als dat leeg is, als ballastruimte benutten. Zie bij waterschot.
Gerelateerde termen:
ballastbak,
ballastkist.
~
ballastschieter:
iemand die voor het laden en lossen van de ballast (aan boord van zeeschepen?) verantwoordelijk is. (verouderd)
Bron: Mr. J. van Lennep, Zeemanswoordenboek 1856. (via DBNL) | Zeilvaart lexicon, J. van Beylen, Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, Amersfoort, 2023.
~
ballastscheeps:
met
ballast geladen zijnd.
....vaartuigen, die ballastscheeps van eenige plaats binnengekomen zijnde, weder in ballast zullen uitvaren.... Staatsblad 23, 1841; als ook: W. à Winschootens Seeman, 1681.
~
ballastschip:
1> in de
tankvaart: een
tankschip, dat het (vervuilde) ballastwater van andere tankers overneemt.
2> schip dat ballast, in de vorm van zand of stenen, transporteert. Zie ook
ballastkaag.
Het gaat hier hoofdzakelijk om ballast voor de zeilende zeevaart.
3> open
vaartuig voor het transport van zand of grind (al dan niet als ballast).
~
ballastschop:
platte schep met vrij groot blad. Zie ook
ruimschop.
~
ballastschuitje:
stukken ijzer als ballast. Zie verder bij
ballastbroodje.
~
ballaststeen:
1> natuursteen die als ballast gebruikt werd.
Bron: Peter Dorleijn, Van gaand en staand want, deel 2. Marken, Uitg. Van Kampen & zn, 1982.
In kleine (open) zeilschuitjes werden geregeld stenen als ballast gebruikt. Een reden daarvoor kan geweest zijn dat dezen makkelijk te verkrijgen waren en niet snel gestolen zouden worden.
In grotere schepen werd natuursteen soms samen met zand als ballast ingenomen omdat er altijd wel gegadigden voor te vinden waren. Zie ook ballastreisje.
2> steen die voor de steenglooiing van dijken gebruikt wordt.
Bron: Verslag van den toestand van Limburg over het jaar 1895, Gedeputerrde staten Limburg. 1896. | Bestek en voorwaarden wegens het maken van werken tot voorziening..... Ministerie van Verkeer en waterstaat 1866. Via books.google.nl
.
~
ballasttank:
tank of afgesloten ruimte, waarin men, om het schip te
ballasten,
buitenwater pompt.
Het ballasten met behulp van ballasttanks geschied over het algemeen slechts om drie redenen. De huidige containerschepen worden veelal geballast om de kruiphoogte te verminderen, oudere motorschepen werden in het achterschip geballast om de schroef voldoende ver onder water te krijgen en sommige motorschepen werden geballast opdat ze gelijklastig in het water zouden liggen, zie daarvoor ook trimtank.
~
ballastwater:
water dat gebruikt wordt, of gebruikt is, om een
schip te
ballasten.
~
ballastwerk:
BALLASTWERK DOEN
een aantal reizen met
ballastzand maken.
Vermeld in het logboek van schipper Hoogmoed uit Oude Wetering.
~
ballastzand:
1> zand dat gebruikt wordt, of gebruikt is, om een
schip te
ballasten.
Voornamelijk de zeilende zeevaart gebruikte ballastzand. Het werd echter door binnenvaartschippers, door zandhaalders, gewonnen, aangevoerd en soms ook afgevoerd.
Zandballast wordt ook gebruikt om het schip, als men een lichte lading heeft, verder te doen laten inzinken.
2> zand dat gebruikt wordt voor ophogingen e.d. Meestal een goedkope kwaliteit zand zoals bijv. zeezand. Ook wel
klapzand genoemd.
Bron: kustvaartforum.com | logboek schipper Hoogmoed, Oude Wetering.
~
ballerinakraan:
kraanconstructie voor het plaatsen van betonblokken tijdens de renovatie van de afsluitdijk in 2021-.....
Bron: Beeldbank RWS en technischweekblad.nl .
~
balschaar:
werktuig, met een grote zware slinger, waarmee men staal knipt. Ook
slingerschaar genoemd.
[
Afbeelding]
[Tekst:
Gereedschappen, staalbouw.]
~
bamisweer:
plaatselijke term voor herfstweer.
~
band:
1> aan een touw bevestigde autoband, of een gedeelte daarvan, dan wel een soortgelijke band van een ander voertuig, die gebruikt kan worden als
stootwil.
Voorbeeld: Ergens een bandje tussen hangen, de bandjes overboord hangen.
Sinds het gebruik van autobanden in alle sluizen verboden is, is het gebruik van autobanden als stootwil sterk afgenomen. Daarvoor in de plaats gebruikt men nu veelvuldig kunststof wrijfhouten.
2> deel van het
boeisel achter de
stevens. Verkorting van
bandstuk.
3> bij diverse scheepstypes en/of in andere bronnen ook
kussen of
boegband genoemd. Daardoor ondermeer bij:
a> de
Botter: de
liggers in het
voorschip zo vanaf het
kooispant naar voren toe.
Gerelateerde term:
kooiband.
b> enkele Friese scheepstypes: de liggers zowel in voor- als in achterschip, zo ongeveer vanaf het punt waar de ronding van de stevens aanzet naar de uiteinden toe.
~
bandnagel:
draadnagel/spijker waarmee op houten schepen stalen
veren en banden vastgezet worden.
~
bandrem:
ongebruikelijke term voor
vang.
~
bandstopper:
ongebruikelijke term voor
vang.
~
bandstuk:
1> deel van het
boeisel, dat de linker en de rechterzijde van de rest van het boeisel, achter de
steven langs, met elkaar verbindt en dat uit één stuk hout gevormd wordt. Zie ook ,
band.
2> volgens
G.J. Schutten ook
boegband genoemd.
~
bandwals:
mechanische constructie, meestal voorzien van drie rollen, waarmee stripstaal en smalle stroken rondgezet werden.
[
Afbeelding]
~
bandweger:
Vlaamse term voor de bovenste dikkere plank van de
wegering. In het Nederlands
dekweger of
dekwegering genoemd.
~
bank:
1> bij laag water droogvallend stuk grond dat (bijna) geheel door water omringd wordt. Ook
plaat genoemd.
2> plaatselijke
ondiepte ook
bult,
rug als ook
draap genoemd.
3> verkorting van:
zandbank,
mosselbank,
oesterbank,
e.d.
4> verkorting van
bankstelling. Plaats waar een schip gebouwd wordt. (Vlaamse term)
5> Vlaams voor
stapelbalk zoals deze in de
bankstelling waarop schepen gebouwd worden, gebruikt wordt. Men onderscheidt de
knoopbanken bij elk der
stevens, de middelste banken en de
tussenbanken.
6> houten of stenen tafel waarop de te verkopen vis in de
visafslag geëtaleerd wordt. Ook visbank genoemd.
Bron: Dr. Th. H. van Doorn, Terminologie van Riviervissers in Nederland.
~
banken:
1> het
schip voor onderhoud, op een
bank of op een daarvoor aangebrachte stelling, een gril of
kuisbank, droog laten vallen.
[
Afbeelding]
Gerelateerde termen:
getijdewerf,
kuisbank,
zaat.
2> het
vissen op een
bank of plaat.
~
banker:
persoon die op de
visafslag de vis op de
banken (soort tafel) legt en na de verkoop verpakt. Term uit Harderwijk.
Bron: Dr. Th. H. van Doorn, Terminologie van Riviervissers in Nederland.
~
bankstelling:
constructie van in de bodem gedreven palen met dwarsbalken, waarop men een schip gebouwd werd of kon
banken. Ook wel
kielbank,
stellingbank of kort weg alleen
bank genoemd. In Vlaanderen spreekt men van een
zaat als men het heeft over de plaats waar een schip gebouwd wordt, over een
kuisbank wanneer het gaat om onderhoud.
Ondermeer te vinden in: Provinciale Zeeuwse Courant, 2 september 1986.
Gerelateerde term:
tussenbank,
werf.
~
bankzand:
zand dat van een
bank, een plaat, afkomstig is.
~
bantzel:
willekeurig kort eind touw waarmee men iets vastbindt. Verouderde term. Zie ook
bendsel.
~
Baquet:
1> Belgisch houten of stalen vrachtscheepje voor de kanaal vaart. Verkorting van
Baquet de Charleroi.
2> mogelijk Franstalig synoniem van
Bak (Waal).
~
Baquet de Charleroi:
Belgisch
vrachtschip met de maximale maten, die voor het kanaal naar Charleroi golden. Die maat was ca. 19,3 m. lang bij maximaal 2,6 m. breed, geladen ca. 1,9m. en ongeladen ca. 40 cm. diepgang. De tonnenmaat kwam dan op ca. 70 ton. De sluizen maten: 21,4 x 2,7 x 2 meter. Ook
Bakeke,
Bakske,
Bakeetje of
Sabot genoemd of in gekort tot
Baquet.
Verwant aan het ijzeren bakeetje is de
Spitsbak , het Spitske.
Het bakeetje behoort tot de groep van Walen. Zij werden eerst in hout en later ook in staal gebouwd. Het type is rond 1830 na de voltooiing van het kanaal Brussel-Charleroi ontstaan. De schepen werden met paarden gejaagd. Het schip had een vrij kort roer, met linnet. Bijboot, zeil en ankergerei schenen de schepen niet te bezitten. Bij Klein Willebroek werden de ontbrekende zaken gehuurd en voer men geladen tot aan Antwerpen. Deze smalle scheepjes waren erg instabiel en eenmaal leeggekomen voeren de schepen daarom meestal twee aan twee. Ze werden daartoe, zowel bovenlangs, als onder de schepen door, gesjord.
Een middenstandswoning, zoals de grote soortgenoten, had deze 'balant' niet. Men moest zich in een klein en benauwd achterondertje zien te behelpen. Licht en frisse lucht kwam uitsluitend via het kleine toegangsluik in het dek binnen en met regenachtig weer was men genoodzaakt een paraplu boven de ingang te plaatsen. De vaart op het kanaal naar Charleroi wordt daarom wel 'de parapluvaart' genoemd. In 1933 was de verbreding van het gehele kanaal naar Charleroi een feit en kwam er langzamerhand een eind aan deze vaartuigen.
Een beperkt aantal van deze schepen kon uitgerust worden met zeilerij en zwaarden. Ook dit werd in de buurt van klein Willebroek aan of van boord gebracht.
Binnen de bakeetjes maakt men volgens Haalmeijer en Vuik nog onderscheid tussen
- de houten 'Houillière', thuishaven Saint Amand, 19,45x2,62m 62 ton,
- de houten 'Natrix', thuishaven Brussel, 19,5x2,62m 68 ton en
- de ijzeren 'Ville de Bréda', thuishaven Brussel, 19,55x2,65m 71 ton.
[
Afbeeldingen]
[Zie ook: website
Vaartips.nl,
forumpost op
binnenvaartforum.]
~
B.A.R.:
inmiddels verouderd scheepvaartreglement. Zie
Binnenaanvaringsreglement.
~
barcas:
flinke roei-zeilboot in gebruik bij het korps Torpedisten. Zie verder bij
barkas.
~
Barckemeijer:
16de eeuws
scheepstype. Verder niet bekend.
Na vele jaren er nog niet in geslaagd iets hierover te weet te komen. Vermoedelijk gaat het om schepen gebouwd door ene Barckemeijer en of men daar ook de voorvaderen van de Groningse familie Barkmeijer mee bedoelt, is mij niet duidelijk.
Wel komen in de archieven van het Stadsgerecht Wijk bij Duurstede (1 NT00067_44) deze teksten voor: "26-5-1562. Jan Willemsz, burger te Rhenen, bekent schuldig te zijn aan Dirck Gerritsz, burger te Culemborg, 231 gulden. Hij stelt als onderpand het schip, genaamd Barckemeijer." en Wijk bij Duurstede, index transporten 1546-1811:"26-05-1562 AKTESOORT: Plecht, PARTIJ 1: Willems, Jan, te Rhenen, PARTIJ 2: Gerrits, Dirck, te Culenborch, OBJECT: Een schip zijnde een Barckemeijer BELENDINGEN: Som van 231 Car gld te betalen in 5 termijnen zijnde 4 van 50 en 1 van 31 gld."
~
barckhout:
stootrand rond de romp van het schip. Oude naam voor
berghout.
~
Barge:
1>
vanaf ca. 1700 de naam van een bepaald type
trekschuit met kromme
voorstevenbalk en een houten
opbouw over de gehele lengte welke van enkele ramen voorzien is. Ook
Berge genoemd.
Later is de term overgegaan op andere schepen in de trek- en beurtvaart. Ook de stoom- en motorbeurtschepen in Friesland werden, naar men zegt, wel 'barge' genoemd.
'Barge' is een van origine Frans woord en moet dus Frans en niet Engels uitgesproken worden. Ook het Engels woord barge is trouwens afkomstig uit het Frans. Oorspronkelijk latijn: Barga of nog ouder Barca, Grieks Baris. Overheersende betekenis: scheepje.
Verder stelt men dat ook de term Baardse gerelateerd is aan dit woord.
- Bron: Historische woordenboeken op gtb.ivdnt.org.
GENTSE BARGE
: een grote luxueuse versie van de trekschuit. Deze werd, naar men zegt, door vijf paarden getrokken. Het vaartuig onderhield 200 jaar lang een dienst tussen Gent en Brugge.
Bronnen: gentsebarge.be/ > geschiedenis | nl.wikipedia.org/wiki/Gentse_barge.
VLIEGENDE BARGE
: bepaald beurtschip; een weinig succesvolle 'uitvinding'. Zie verder bij
paardenraderboot.
2> door
van Loon beschreven houten
trekschuit met
paviljoen dat van Harlingen op Leeuwarden voer. Nadere gegevens ontbreken nog.
IJZEREN BARGE
: vermoedelijk wordt hiermede een Barge naar model Van Loon, maar dan in ijzer gebouwd, bedoeld. Dat zou het grote verschil in snelheid tussen een nieuwe IJzeren Barge en een reeds in bedrijf zijnde houten
trekschuit waar R. Filarski het over heeft kunnen verklaren.
Bronnen: F.N. van Loon Beschouwing van den Nederlandschen scheepsbouw met betrekking tot deszelfs zeilaadje. Haarlem 1838. | Ruud Filarski, Nieuwe Maritieme Geschiedenis van Nederland, Deel 3 Tijd van de grote zeilvaart 1780 - 1870 Aarzelende modernisering: Binnenvaart in de negentiende eeuw. Via: beta.nmgn.huygens.knaw.nl.
3a>
(snel)
stoomschip, dat een
beurtdienst (met passagiers) vaart. Schip met een steile scherpe
steven en een
geveegd ovaal
achterschip.
Ongeveer tegen het laatste kwart van de 19de eeuw raakt de term in het Nederlands in gebruikt.
b> als hiervoor echter zonder stoommachine als aandrijving, maar als trekschuit.
Bron: model gebouwd door H. Maarsingh in het bezit van het Noordelijk Scheepvaartmuseum.
4> oude benaming voor
motorbeurtschepen. De term lijkt voornamelijk in de Noordelijke provincies in gebruik geweest te zijn.
5> verbastering van
Baardse; een soort galei.
~
bargedienst:
een
beurtdienst of een
beurtvaartonderneming.
De term 'bargedienst' treft men aan het eind van de negentiende eeuw voornamelijk aan bij de stoombeurtdiensten.
'Barge' dient op Franse wijze uitgesproken te worden!
~
bargeketser:
scheepsjager die
trekschuiten jaagt. Samenvoeging van
barge in de zin van
trekschuit en
ketser,
scheepsjager.
'Barge' dient op Franse wijze uitgesproken te worden!
Zuid-Nederlandse term. Bron: Historische woordenboeken op gtb.ivdnt.org.
~
bargelink:
internetmarktplaats voor
verladers,
bevrachters en vervoerders (
schippers en
rederijen).
Ik geloof dat iedereen aanneemt dat 'barge' hier op zijn Engels uitgesproken moet worden.
~
bargeschip:
vermoedelijk een
beurtschip/
trekschuit, zie ook
barge.
Term aangetroffen in de liggers van de meetdiensten. De benoeming van het scheepstype, de scheepssoort is soms sterk afhankelijk van de scheepsmeter en kan daardoor afwijken van hetgeen gebruikelijk is.
~
barghout:
vermoedelijke verbastering van
berghout, echter soms ook gebruikt voor wat men de
berghoutsstrip noemt.
Zonder nadere uitleg genoemd in een bouwcontract van de werf Bock & Meijer, Leimuiden.
~
Barghoutsjacht:
onvoldoende bekend. Bepaald type zeilend
beurtschip uit begin 19de eeuw, circa 37 ton groot. Ook bekend als
berghoutsjacht.
Voorkomend in: Oud Rechterlijk Archief (ORA) Uitgeest.
~
Bark:
1> tot het eind van de 17de eeuw gebruikte term voor grotere, dus
gedekte,
zeilschepen waaronder bijv. de geboeide
Heude. De term is een rechtstreekse afleiding van het Franse barge en behalve tot bark ook verbasterd tot
Baardze. In de 17de begon de term over te gaan op de meer zeegaande vaartuigen.
Bron: Historische woordenboeken op gtb.ivdnt.org. Daar ook enige samenstellingen met 'bark' al kan men zich afvragen in hoeverre het om ingeburgerde begrippen, dan wel om dichterlijke vrijheden gaat.
2> verkorting van barkhout; zijnde het
berghout.
~
Barkas:
1> kleine open of
halfgedekte motorboot, meestal gebruikt voor het transport van personen, brieven en handbagage naar in de
haven liggende zeeschepen. In sommige kringen wenst men het Engelse
tender te gebruiken. Zie ook
motorbarkas en
havenbarkas.
Gerelateerde termen:
hamburger,
havenstoombootje,
enz..
2> Oorspronkelijk een open
roei/
zeilboot, in grootte volgend op de
sloep, aan boord van
zeilende zeeschepen.
In deze zin nog gebruikt door het korps Torpedisten van de Genie. Daar ook geschreven als barcas. Bron: rens.vanadrighem.com......torpedisten.html.
~
barkhout:
oude naam voor
berghout. Ook geschreven als
barckhout.
~
Barkmeijer:
bekende familie van
scheepsbouwers, met
werven in Groningen en Friesland.
Mogelijk is er een relatie met een scheepstype Barckemeijer?
~
barkoen:
1> een houten paaltje. Verouderde vorm van
perkoen.
2> balkjes die als
kimkielen tegen de
romp van een
botvlet aangebracht zijn. Ook
sleepladen genoemd.
Bron: Peter Dorleijn, Van gaand en staand want, deel 1, Enkhuizen. Uitg. Van Kampen & zn, 1982.
3> verouderde vorm voor bepaalde
rondhouten aan boord van zeegaande schepen.
In van Lennep's Zeemans-woordenboek bijvoorbeeld verklaard met windboom en ook geschreven als berkoen.
In: "De scheepsdienst" Door Jan Hendrik van Kinsbergen wordt het verklaard met balkjes die men bij een zwichting tegen het hoofdwant vastzet.
~
barleer:
bergplaats voor
rondhouten. Zie verder bij
barlijn.
~
barlijn:
steun waarin
pikhaken,
loopplanken, ladders en meer van dat soort zaken geborgen werden.
De termen barlijn e.d. zijn mogelijk alleen in het midden en het zuiden van het land populair. In het noorden toont men een voorkeur voor termen als luikenstoeltje en soms voor boomijzer.
De termen barlijn, ook wel barleer, barling e.d. worden voornamelijk gebruikt voor metalen constructies. Een barlijnstoel is dan dus een metalen luikenstoel. Luikenstoelen kunnen los op de luikenkap, dan wel op het roef- of machinekamerdek opgesteld zijn.
Barlijnen e.d. zijn op bijvoorbeeld spitsen vaak aan de den bevestigde draaibare constructies.
De woorden barlijn, barleer, enz. hebben, ook al wordt daar in de door mij geraadpleegde bronnen geen melding van gemaakt, ongetwijfeld een relatie met het woord barring.
~
barlijnstoel:
constructie om
rondhouten e.d. op te bergen Zie verder bij
barlijn en
luikenstoeltje.
~
barling:
verbastering van
barlijn.
~
barnen:
oude term voor het beuken van de golven tegen schepen, oevers, stranden, en dergelijke. Ook geschreven als
bernen.
Eigenlijke betekenis is branden. Bron: Historische woordenboeken op gtb.ivdnt.org. o.a. WNT lemma Branden I.E.
~
barning:
oude term voor
branding. Zie ook bij
barnen. Niet te verwarren met
barring.
Ondermeer in : Witsen, Aaloude en hedendaagsche scheeps-bouw en bestier. 1690
~
barrighout:
oude term voor of een verbastering van
berghout. Niet te verwarren met
barring.
~
barrikhout:
oude term voor of een verbastering van
berghout.
~
barring:
ongebruikt
rondhout.
Zeeterm? in de binnenvaart nauwelijks bekend. Barring is mogelijk vanuit Engeland overkomen waaien en betekent onder andere: lang, regelmatig gevormd, massief voorwerp. Tevens schijnt het gebruikt te worden voor het lijfgoed, de persoonlijke bezittingen van een bemanningslid.
Volgens de Historische woordenboeken op gtb.ivdnt.org. en zou barring slaan op WAARLOOS rondhout; dat wil zeggen: op de reserve rondhouten. Een zelfde verklaring vindt men bij:Johan Hendrik van Dale, Van Dale's groot woordenboek der Nederlandsche taal. Nijhoff, Sijthoff, 1914.
~
barringijzer:
weinig gebruikte term voor
boomijzer.
Bron o.a.: Zeilvaart lexicon, J. van Beylen, Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, Amersfoort, 2023.
~
bart:
waterstoepje of makkelijk vervoerbaar brugdekje.
Bron: Van Dale's woordenboek 1916.
~
barte:
los 'brugdek', meestal bestaande uit slechts enkele zware planken. Ook
bat en batte.
Gerelateerde term:
zet.
~
BASIJN:
afkorting van: Bekendmaking aan de Scheepvaart, IJmond - Noordzeekanaalgebied.
De term wordt gebruikt door de waterwegbeheerder aldaar.
Bron: www.portofamsterdam.com/nl/basijnen
~
basisstation:
de plaats waarvan de tijden van hoog- en laagwater bekend zijn en van waaruit men, met behulp van het
havengetal de tijden van hoog- en laagwater voor een bepaalde plaats berekend.
Bron: waterberichtgeving.rws.nl .
~
BASM:
behoudsorganisatie voor stoomschepen en sleepboten. Zie ook
Stichting tot Behoud van Authentieke Stoomvaartuigen en Motorsleepboten.
~
bassin:
Zuid-Nederlands voor
haven.
~
bastaard:
sleepkuil met middelmatige maaswijdte. Het net werd voor de vangst van platvis gebruikt.
~
bat:
1> los 'brugdek', meestal bestaande uit slechts enkele zware planken. Ook batte (Groningen) en barte.
Gerelateerde term:
zet.
2> het uiteinde, de
kop, van een
krib. Plaatselijk ook
uitstoot, maar gewoonlijk kop of
kribbenkop genoemd.
Genoemd in: Dr. Th. H. van Doorn, Terminologie van Riviervissers in Nederland.
3> kade of dijk.
Voornamelijk in de zuidelijke gewesten gebruikte term.
Bron: Historische woordenboeken op gtb.ivdnt.org.
~
batten:
het aanleggen van
rivierwerken.
Bron: Historische woordenboeken op gtb.ivdnt.org.
~
batter:
negentiende eeuws bargoens voor
schip.
~
Bayer:
onbekend zeventiende eeuws(?) scheepstype. Zie bij
Beijer.
~
Bazelboot:
vrachtschip dat zelfstandig de Rijn tot aan Basel kan bevaren. Zie ook
Bovenboot.
~
BBA:
afkorting van
Binnenwaterbeheer Amsterdam, andere naam voor wat men de
havendienst pleegde te noemen.
~
BBZ:
belangenvereniging voor zowel de werkgever als de werknemer in de hedendaagse
chartervaart. Ook bekend als:
Vereniging voor Beroepschartervaart.
[
Website: debbz.nl.]
~
Beatrixvloed:
de stormvloed van 1 februari 1953.
~
Beaufort:
door Sir Francis Beaufort in 1908 ingevoerde meetschaal voor windsnelheden. Zie verder bij
windkracht.
~
bebakenen:
het water van
bakens voorzien. Zie ook tekst:
Betonning en bebakening en links:
Diverse termen inzake de bebakening.
~
bebakening:
een aantal bij elkaar behorende
bakens, waarmee men de
bevaarbare wateren of de
vaarwegen gemarkeerd worden. Ook
betonning en vroeger wel
bakening genoemd.
Op het binnenwater wordt gebruik gemaakt van twee
bebakeningsstelsels. Hoofdzakelijk is dat het
lateraalstelsel wat wordt aangevuld met bakens van het
kardinaalstelsel.
Zie ook tekst:
Betonning en bebakening en links:
Diverse termen inzake de bebakening.
Afbeelding: fragment van "Gezicht op Beverwijk, Gaspar Bouttats, naar Jan Peeters 1624-1678." Bron: Rijksmuseum Amsterdam.
AANVULLENDE BEBAKENING
:
bakens van het
lateraalstelsel, die niet tot de
hoofdbebakening behoren. Hiertoe rekent men o.a. de
jachtbebakening, de bebakening van het water voor snelle motorboten en waterskiërs, zwemmers, enz..
~
bebakeningsstelsel:
systeem volgens het welk
bakens geplaatst worden. Lees verder bij
bebakening. In plaats van bebakeningsstelsel spreekt men ook wel van
betonningsstelsel.
Zie ook tekst:
Betonning en bebakening en links:
Diverse termen inzake de bebakening.
Over het algemeen wordt de term betonningsstelsel gebruikt, maar feitelijk slaat de term betonningsstelsel alleen op de drijvende bakens, terwijl bebakeningsstelsel ook de vaste en op de wal geplaatste bakens omvat.
~
bebakeningsvaartuig:
vaartuig gebruikt voor het plaatsen en/of onderhouden van
boeien en
bakens. Meestal
betonningsvaartuig genoemd. [Links:
Diverse termen inzake de bebakening]
Voorkomend in: De Ingenieur nr 29, 1914.
~
Bèchète:
aan de
Herna verwant
open houten vaartuigje van het stroomgebied der Maas. Sterk gelijkend op het
Ourthe scheepje.
Op Titven.nl geeft men als maten 19 x 2 meter met een
laadvermogen tot circa 25 ton. Het is daarmee vooral een slag smaller dan het Ourthe scheepje. Een andere variant wordt door
G.J. Schutten (blz.396) het
pontje van Tilff, een plaatsje nabij Luik, genoemd. Dit scheepje meet slechts 8 bij 1,5 meter.
~
Beckerroer:
type roer met een progressief draaiende achterflap. Zie verder bij
flaproer.
~
bed:
1> kunstmatig aangebracht, of in een bepaalde vorm gebracht, gedeelte van de bodem. Een
bodemprofiel.
2> bij een
vastgevaren of
gezonken schip; door het schip gevormde 'kuil' in de grond. Soms ook
zaat genoemd.
3> strook waarlangs men een schip op de
werf trok. Een
hellinggoot of
sleepbed.
Bron: Peter Dorleijn, Van gaand en staand want, deel 2. Volendam, Uitg. Van Kampen & zn, 1982.
4> bodem van rivier of beek, dus een verkorting van
bedding.
~
bedbeschot:
de wand rond de
kooi. Meestal echter
kooibeschot genoemd.
~
beddeplank:
hulpmiddel dat ondermeer gebruikt wordt bij de bouw van de
Punter. Niet te verwarren met de
kooiplank.
De beddeplank is een lang stevig balkje, hoger dan dik, dat aan één uiteinde met een klamp nog eens extra 'opgehoogd' is. Aan deze zijde is het geheel dusdanig schuin afgezaagd dat de hoek overeenkomt met de gewenste hoek van het boeisel, het bovenboord. Het wordt gebruikt voor het aftekenen van het korveblok en wordt daartoe dwarsscheeps van boord tot boord tegen het af te tekenen korveblok gehouden. Waarna men de gewenste hoek aftekent. Bron: De Punter, Gait L. Berk.
De term doet vermoeden dat men een (ongebruikte) plank uit de bedstede gebruikte om dit instrument te maken.
~
bedding:
1> de bodem van een beek of rivier. Zie ook
stroombed.
2> oude term voor
buikdenning. Zie
budding.
3> verkorte vorm van
sleepbedding; een eenvoudige
sleephelling.
~
bedekt:
van dekken of een dak voorzien. Zie ook
gedekt.
~
bedelbalk:
dwarsscheepse, vaak in een boog lopende, balk boven het
voordek, vlak achter de
voorsteven. Onder andere te vinden bij het
Fries jacht, de
Tjotter en diverse
Boeiers.
De term lijkt vrij nieuw te zijn. Het Friese 'biddelbank' lijkt nog veel nieuwer. Volgens sommige bronnen zou de term een verbastering van betingbalk zijn, wat mij wel aannemelijk lijkt. Anderen opperen de stelling dat het komt van beeldbalk; dit omdat de balk met beeldhouwwerk versierd is. Dit lijkt me echter minder aannemelijk.
Verwante termen:
hennebalk,
betingbalk.
~
bedelling:
houten vlonder in een open boot. Term in gebruik bij de riviervisser ondermeer te Woudrichem, Lith en Hardinxveld. Elders ook
buikdelling,
delling en
lanen genoemd.
Genoemd in: Dr. Th. H. van Doorn, Terminologie van Riviervissers in Nederland.
~
bedieningscertificaat marifoon:
bewijs dat men met goed gevolg het
marifoonexamen afgelegd heeft en (in theorie) dus geschikt bent een
marifooninstallatie correct te gebruiken. In de volksmond
marifoondiploma genoemd.
Aan boord van een schip met werkende marifooninstallatie dient tenminste één persoon in het bezit te zijn van een dergelijk diploma.
Bronnen: rdi.nl/onderwerpen/marifoons-en-overige-maritieme-communicatieapparatuur. | Provinciale Zeeuwse Courant, februari 2009, enz.
~
bedienpost:
lessenaar waarop de instrumenten voor het bedienen van sluis en/of brug opgesteld staan. De meeste bedienposten zijn ondergebracht in een bouwwerk(je); ze stonden echter ook weleens in de open lucht.
CENTRALE BEDIENPOST
: gebouw waarin een (afstands)bediening voor de gehele
sluis of voor een combinatie van sluizen en/of bruggen geplaatst is.
~
beding:
onder andere in het Fries: een stevige bolder; een
beting.
~
Bedrijfsgroep Binnenscheepvaart:
1> onderdeel van de Diensten en Commisies van het Directoraat-Generaal van Scheepvaart. (tussen 19-2-1942 en 1950?) Ze zetelden in Rotterdam . De bedrijfsgroep was onder verdeeld in de vakgroepen: Vakgroep Personenvervoer binnenland,
Vakgroep Binnenlandse beurtvaart, Vakgroep Wilde vaart, Vakgroep Sleepvaart en Vakgroep Internationale vaart. Ook de vakgroepen hadden hun
secretariaten.
Bron: nationaalarchief.nl | Weekblad Schuttevaer 7-3-1942 via Delpher.nl
2> afdeling van sommige vakbondsorganisaties (FNV).
Bron: Publicatie Duwvaart met zes bakken of vier vergrote bakken, Door het ministerie van verkeer en waterstaat 1982
~
bedrijfshulpverlening:
algemeen (dus niet binnenvaartspecifiek) verplichte bekwaamheid voor werkgevers.
Het houdt in dat een werkgever eerste hulp moet kunnen verlenen en weet hoe te handelen in geval van een calamiteit zoals brand. Soms afgekort met B.H.V.
~
bedrijfsrederij:
bedrijf dat een aantal
schepen bezit, die (uitsluitend) voor dat bedrijf varen.
[Tekst:
Bedrijfsvoeringen in de vrachtvaart.]
~
bedrijfsschip:
1> vaartuig dat door een onderneming als een transportmiddel voor die onderneming gebruikt wordt.
Het woord is dus naar analogie met bedrijfswagen gevormd. De term is ondermeer gebruikt door George Snijder in het verenigingsblad 'Bokkepoot'.
2> vaartuig gebruikt voor de uitoefening van een bedrijf, waarbij het tijdens de uitoefening van het bedrijf niet verplaatst wordt.
In deze zin ondermeer gebruikt in een verordening van de Gemeente Den Haag.
3> ander woord voor
bedrijfsvaartuig.
In deze zin reeds sinds 1924 toegepast. Ondermeer te vinden in het Verslag der handelingen der Staten-Generaal, Deel 2,Volume 3 1962-1963.
~
bedrijfsurenteller:
instrument waarmee het aantal draaiuren van een motor gemeten wordt.
Het aantal bedrijfsuren is essentieel bij het onderhoud van de motor.
Vermeld in: Kromhout folder: dieselmotoren GS/TS. [Afbeeldingen]
Gerelateerde term:
vaartijdenmeter.
~
bedrijfsvaart:
ander woord voor
beroepsvaart.
~
bedrijfsvaartuig:
vaartuig dat door een onderneming beroepsmatig gebruikt wordt.[Tekst:
Bedrijfsvoeringen in de vrachtvaart.] Men kan zich de vraag stellen of het synoniem is met
beroepsvaartuig of toch niet helemaal?
ZEILEND BEDRIJFSVAARTUIG
: hier worden, over het algemeen, de hedendaagse,
zeilende,
charterschepen, in het bijzonder de schepen van 'de bruine vloot', mee bedoeld.
Zie ook
bedrijfsschip,
beroeps en
beroepsvaartschip.
~
bedrijfsveer:
1> vaartuig waarmee het personeel van een bedrijf overgezet wordt; een
bedrijfsveerdienst onderhouden wordt.
[
Afbeelding]
2> de veerdienst die voor een bepaald bedrijf onderhouden wordt.
~
bedrijfsveerdienst:
door een bedrijf in standgehouden
veerdienst ten behoeve van haar eigen personeel.
Gerelateerde term:
personeelsbootje.
~
bedschot:
minder toepasselijke naam voor
kooibeschot.
~
been:
1> elk der parten van een
spruit die aan met zelfde voorwerp verbonden zijn.
2> beentje het eindje garen tussen twee knopen van een
maas van een
visnet.
Genoemd in: Dr. Th. H. van Doorn, Terminologie van Riviervissers in Nederland.
~
Beenhakker:
stalen
bijboot, met
knikspantromp en
luchtkisten, die vanaf de jaren vijftig tot in de jaren tachtig veel bij
vrachtschepen gebruikt werd. Veel geïmiteerd type, met, ondanks de knikspantromp, een
vletachtig uiterlijk en daarom (zeer verwarrend) ook
(schippers)vlet genoemd.
[
Afbeelding]
Verwant zijn: de
Turry en de
Lelievlet.
Het vaartuig werd kort na de oorlog ontworpen en gebouwd door Teun Beenhakker oorspronkelijk kachelsmid te Kinderdijk. Het oorspronkelijk ontwerp kende enige kleine aanpassingen en verbeteringen, maar na 1949 zijn er nog nauwelijks veranderingen aangebracht. De meest populaire maten voor de bijboot waren 3,55 x 1,5 x 0,62 meter (300 kg zwaar) en 4,1 x 1,58 x 0,7 meter (350 kg). De twee grotere maten 4,8 x 1,7 x 0,75 meter (480kg zwaar) en 5,6 x1,8 x 0,77 meter (600kg zwaar) vonden ondermeer aftrek bij de baggermaatschappijen en sommige veerdienstjes waar men voetganger en fietsers liever overroeide dan de 'grote pont' in beweging bracht.
Punten van onderscheid tussen een echte beenhakker en een imitatie zijn ondermeer: de lichte knik in de voorste helft van vlakplaat, het doorlopende boeisel/bovenboord op de neus en de daaraan tegen aansluitende bodemplaat. Het is dus een vaartuig met een heve die met enige breedte eindigt. De zijden/onderboorden eindigen juist in een punt.
Belangrijkste bron: Schepen die blijven, uitgave LVBHB.
~
beer:
1> stevige klamp waarmee, bij bepaalde schepen, de ankerrol tegen de stevenbalk opgesloten ligt. Zie bij:
beerklamp.
2> gemetselde waterkering met scherpe bovenkant.
~
beeraak:
vrachtschip van het type
Aak dat gebruikt wordt voor het vervoer van beer en/of afval.
George Snijder besteedt in zijn boek 'Schippers van een gedempte haven' ruimschoots aandacht aan de vaart met dit soort scheepjes vanuit 's Gravenmoer. Daarbij zijn de houten types vermoedelijk vaak van een type zoals de Sliedrechtse aak en het IJsselaakje. De term 's Gravenmoerse beeraak die hij gebruikt, slaat uitsluitend op de thuishaven; niet op een bepaald type.
Gerelateerde termen:
tonnenschuit,
beerpraam.
~
beerklamp:
tegen de
voorstevenbalk aangebrachte klamp, waarmee de
ankerrol opgesloten wordt. Ook slechts
beer genoemd.
De beerklamp wordt door velen een snars of een snoes genoemd. Volgens sommigen is dat echter niet correct.
~
Beerotter:
een
Otter die ingericht was voor het vervoer van faecaliën.
~
Beerpraam:
Praam voor het vervoer van beer (en soms ook huishoudelijk afval). Mogelijk soms ook
privaatpraam genoemd.
Gerelateerde term:
tonnenschuit.
~
beerschip:
schip voor het vervoer van beer (en soms ook huishoudelijk afval).
Gerelateerde term:
tonnenschuit.
~
beervaart:
het transport van faecaliën en huishoudelijk afval. (Tot begin 20ste eeuw gebruikt voor bemesting.)
~
Beetle:
betonnen
caisson van 12 x 5 x 2,6 meter. Oorspronkelijk bedoelt om bij de landing te Normandië gebruikt te worden voor de aanleg van havens. Hier in Nederland (ondermeer) gebruikt om in 1945 het Nollegat bij Vlissingen te dichten.
Het was de kleinste maat van de drie caissons die voor de landing in Normandië ontworpen waren. De andere maten waren de Intermediate en de Phoenix.
Goed beschouwd was de Beetle geen caisson maar een betonnen drijflichaam dat men tot zinken bracht.
Ondermeer genoemd op: oorlogzeeland.nl/index.php/zeeland-dijkherstel.....
~
beetstek:
stok, houten paaltje, dat het begin van de
waai/viszegen gespreid, rechtop, houdt. [Links:
Diverse termen inzake het vistuig.]
Genoemd in: Dr. Th. H. van Doorn, Terminologie van Riviervissers in Nederland.
~
Beetsterpraam:
open houten
praam/
bok voor het vervoer van turf. Deze praam of bok toont veel overeenkomsten met de
Giethoornse praam of
bok.
~
Beffers & Co:
bekend als
Scheepswerf 'Het Groenland' aan de Kleine Wittenburgerstraat te Amsterdam. Gesticht in 1855, opgeheven in 1999. De laatste decennia voornamelijk onderhoud en reparatie van kleine schepen. Zie ook
werven lijst.
~
begeleidingsboot(je):
vaartuig dat ter begeleiding, bijvoorbeeld van een evenement te water, meevaart. Zie ook:
begeleidingsvaartuig.
~
begeleidingsvaartuig:
vaartuig van een overheidsdienst dat een ander vaartuig begeleid.
Het begeleidend vaartuig fungeert in de meeste gevallen als loods of als waarschuwer, bijv. omdat het begeleide vaartuig om één of andere reden slecht manoeuvreerbaar is.
Vooral tijdens de tweede wereldoorlog voeren schepen op bepaalde stukken vaarwater onder begeleiding.
Ondermeer genoemd in Provinciale Drentsche en Asser courant 08-04-1957.
Kleine open vaartuigjes zoals bij lange-afstand zwemmers worden vaak begeleidingsboot(je) genoemd.
Ondermeer genoemd in de Haagsche courant 17-08-1934.
~
begijnera:
in de binnenvaart: onderra van het toprazeil. Zie bij
bagijnera.
~
begijnezeil:
in de binnenvaart: een toprazeil. Zie bij
bagijnezeil.
~
begijnree:
in de binnenvaart: onderra van het toprazeil. Zie bij
bagijnera.
~
beginboei:
eerste
boei,
joon, die de ligging van een
vistuig markeert. Ook
beginjoon genoemd. Zie ook
spanboei,
beginboei en links:
Diverse termen inzake het vistuig.
De beginboei is de boei die het eerste binnengehaald wordt.
Bron: Peter Dorleijn, Van gaand en staand want, deel 1, Enkhuizen. Uitg. Van Kampen & zn, 1982.
~
beginjoon:
eerste
boei,
joon, die de ligging van een
vistuig markeert. Zie ook
beginboei en links:
Diverse termen inzake het vistuig.
De beginboei is de boei die het eerste binnengehaald wordt.
Bron: Landlooperij zwerftocht van een dagbladschrijver onder stroopers en schooiers. M.J. Brusse. Uitg. W.L. & J. Brusse, G.J. Thieme, 1906. Via DBNL.
~
begord:
BEGORD LIGGEN
: tegen de eigen
ankertros,
-draad of
-ketting gewaaid of
gedreven zijn.
~
behaald:
smaller weglopend, gestroomlijnd. Zie verder bij:
geveegd.
Bron: F.R.Loomeijer: Met zeil en Treil, de tjalk in de binnen- en buitenvaart. Uitg. Alk, Alkmaar. 2de druk 1999
~
beheerloon:
vergoeding, die aan de
strandvonder (of soortgelijk persoon dan wel instelling) bij het afhalen van aangespoelde of opgeviste goederen, betaald moet worden.
~
behoud:
de afstand, die men, terwijl men één
koers aanhield, afgelegd heeft. (Zeeterm?)
~
behoudsorganisatie:
organisatie, die zich inzet voor het behoud van een bepaald
type, of een bepaalde categorie van,
vaartuigen. Veel behoudsorganisaties zijn verenigd in het
F.O.N.V. .
~
Beijer:
onbekend scheepstype. Door
Nicolaas Witsen en
Cornelis van IJk genoemd scheepstype. Vermoedelijk een rivierschip. Witsen plaats het type in de noordelijke gewesten. Ook als
Beyer of
Bayer geschreven.
Onder andere te vinden bij Nicolaas Witsen, Aaloude en hedendaagsche scheeps-bouw en bestier 1690 blz 189.
~
Beijeraak:
onbekend, door
Nicolaas Witsen genoemd, scheepstype. Ook geschreven als
Beyeraak en mogelijk ook
Beijer of
Beijerschip genoemd. Zie ook
trappekijker.
~
Beijerlandse schouw:
klein houten zeilaakje voor zowel de visserij, als voor rietsnijden e.d. gebruikt . Zie verder bij
Beijerlandse schuit.
~
Beijerlandse schuit:
1a>
scheepstype: een
platbodem met een
knikspantromp behorend tot de
aken/heveaken. Naar men zegt een soort
Rietaakje dat soms ook voor de visvangst gebruikt werd, daarom dan somtijds voorzien van een
bun. Ook betiteld als:
Beijerlandse schouw,
Beyerlandse schuit,
Beyerlandse schouw,
Beyerlandse boot en
Beijerlandse boot.
Volgens sommige bronnen is het scheepje gelijk aan de Tholense schouw, maar bij de Beijerlandse schuit lopen de berghouten aan de voorzijde niet over de heve door. De heve eindigt tegen het lage boeisel van de kop. Cornelissen lijkt echter een soort van voorbord te tekenen.
b>
klein aakachtig, door
ir. E van Konijnenburg getekent
vrachtscheepje, met open
achterschip of
kuip. Tamelijk
behaald scheepje met nogal ronde vormen, welk ondanks de aanwezigheid van
heves de indruk wekt een
rondbodem te zijn. Het scheepje is voorzien van een
vissermanroer, een strijkbare mast, een
luikenkap die van
boord tot boord loopt en op
steekleren rust.
De verschillen tussen de twee hier vermelde vormen lijken te groot om van één type te spreken. Van de knikspantvorm bij Cornelisse is bij Konijnenburg weinig terug te vinden. Konijnenburg lijkt echter op dat punt ook niet altijd even betrouwbaar. Hij noemt het echter wel weer een Tholense schouw. Een type dat door hem wel met een knikspantromp getekend wordt. Haalmeijer en Vuik zien in het Garnaal- of botvissertje van G. Groenewegen een Beijerlandse schuit.
G.J. Schutten (blz.399) noemt als voorkomende maat 9,5 x 2,8 meter. Hij deelt het in bij de Biesboschaken en dus als een platbodem.
~
Beijerschip:
onbekend 16de-17de eeuws type vrachtschip. Mogelijk gelijk aan een
Bijeraak.
~
beitel:
1> type vrachtschip uit de periode van ongeveer 1500 tot 1740. verkorting van
beitelschip. Zie verder aldaar.
2> verwisselbaar beitelvormig uitsteeksel aan een
sleepkop waarmee harde bodems los gewoeld worden.
Bron: Optimalisatie van het baggerproces door Bart van de Velden.
~
Beitelaak:
bepaald type vrachtschip uit de periode van ongeveer 1500 tot 1740. Zie bij
beitelschip.
~
beitelbalk:
deel een
sleepkop waarop de
beitels,
pickpoints of
messen gemonteerd worden.
Bron: Optimalisatie van het baggerproces door Bart van de Velden.
~
Beitelschip:
een houten
aak(lastaak) met brede rechthoekige
heve, die sterk voorover helt. Het
scheepstype heeft tussen ca. 1500 en 1740 bestaan. De oudste afbeeldingen zijn te vinden op het 'Gezicht op Keulen' door Anton Woensam uit 1531. Deze schepen hadden een sterk naar achter toe oplopende lijn, met een hoog opgetrokken
achterschip met platte heve. De schepen waren aan de voorzijde smaller dan bij het achterschip. Ze bezaten een nogal rechthoekige dwarsdoorsnede. De belangrijkste vorm van voortbeweging voor deze schepen was het
stevelen. Zowel middenvoor, als
stuurboordachter, was het schip uitgerust met een grote zware
roerspaan om het geheel tijdens het stevelen op
koers te kunnen houden. Een flink aantal roeiers kon ingezet worden om bepaalde moeilijkheden ted overwinnen. Misschien kon bij gunstige wind een
razeil gehesen worden.
De latere types zijn gestrekter van lijn, hebben over het grootste deel een gelijke breedte, zijn
overnaads gebouwd, maar behouden hun vrijwel rechthoekige doorsnede en hun typerende beitelvormige
voorschip. Wel hebben ze een flinke mast waaraan een razeil gevoerd kan worden en bezitten één tot twee paar zwaarden.
De grote verandering bevindt zich echter aan de achterzijde waar de beide zijden van het schipvloeiend tegen een verticale
achtersteven, waaraan een roer gehangen is, samenkomen. De hoge logge achterkant is verdwenen.
Ook bekend als:
Beytelschip,
Bijtelschip,
Beytel,
Beitelaak e.d.
Bronnen: G.C.E. Crone; Onze schepen in de Gouden Eeuw. P.N. van Kampen & Zoon n.v., Amsterdam 1939. | P.J.V.M. Sopers: Schepen die verdwijnen. Haarlem 2000. Oorspronkelijke druk 1947. | C. J. W. van Waning. Van vrachtboeier tot jachtboeier. Spiegel der Zeilvaart, maart 1978 en andere.
Zie ook
Byleraak.
~
beitelsteven:
eigenlijk: een steven zoals een
beitelschip. Echter een enkele maal gebruikt voor wat men meestal een
duwbakkenneus noemt.
Bron: periodiek 'Binnenvaart' 2012/5.
~
bek:
1> vorkvormig uiteinde aan een
gaffel. Synoniem voor
gaffelklauw.
Bron: Peter Dorleijn, Van gaand en staand want, deel 2. Marken, Uitg. Van Kampen & zn, 1982.
2> de voorkant, dus de opening van een
kuilnet. Ook
muil genoemd.
Bronnen: Dr. Th. H. van Doorn, Terminologie van Riviervissers in Nederland. | Peter Dorleijn, Van gaand en staand want, deel 2. Volendam, Uitg. Van Kampen & zn, 1982.
3> opening van de
klaarzak.
Genoemd in: Dr. Th. H. van Doorn, Terminologie van Riviervissers in Nederland.
4> achterste deel van een fuik, dat met een touw dichtgebonden en tevens aan de fuikestok gebonden wordt. (Plaatselijke term) Zie verder bij
langerak.
Bron: Peter Dorleijn, Van gaand en staand want, deel 3. Bunschoten - Spakenburg, Uitg. Van Kampen & zn, 1982.
4>
Vlaamse term voor het in het
voorschip oplopende deel in het verlengde van het
vlak bij schepen met een kromme
steven. Bijna uitsluitend in meervoud gebruikt.
Een Nederlandse term voor dit deel heb ik nooit kunnen vinden. Met wat goede wil zou men het de geren kunnen noemen. De meesten behelpen zich echter met de term heve. De constructie van dit deel is bij Nederlandse schepen afwijkend van dat bij de Vlaamse vaartuigen.
Volgens de beschrijvingen van Maurice Kaak werd dit deel in het verlengde van reeds aanwezige vlakdelen opgebouwd. Het was dus een aangezet verlengstuk. De breedte van de delen die voor de bekken gebruikt werden, was in een aantal gevallen de helft van die van de aansluitende vlakdelen. Voor zover ik weet worden 'de bekken' bij Nederlandse schepen gevormd door de uiteinden van de vlakdelen/vlakgangen op te buigen; hetgeen een wezenlijk verschil geeft. De ronde Vlaamse schepen hebben daardoor een wat abrupte overgang van vlak naar voor en achterschip, terwijl het vlak volkomen plat en gestrekt is. Bij de Hollandse schepen is verloop vloeiender.
~
bekaaien:
1> een uiteinde van een
ra, of de
nok van een
spriet, naar beneden trekken. Doen
kaaien.
2> eigenlijk: slecht worden, in zwijm geraken, sterven.
BEKAAIDE VIS
: vis die te lang op de kade gelegen heeft en daardoor bedorven is.
EEN BEKAAID SCHIP
: een schip dat zich slecht laat sturen.
EEN BEKAAID STUK HOUT
: een stuk hout dat niet goed past, verrot of krom getrokken is.
In het Duits wordt een schip waarvan de naden door droogte opengetrokken zijn, ook bekaaid genoemd.
.
~
bekaaier:
1> ander woord voor
neerhaler.
2> touw aan het uiteinde van een
gaffel,
spriet,
ra of
laadboom. Verouderd. Zie ook
gaarde.
~
bekabbelen:
tegen de oever (of ander voorwerp) aanslaan van de golven (met als gevolg dat de oever
afkalft).
~
bekbindsel:
touwknoopwerkje rond de opening van een haak, waarmee voorkomen wordt dat iets uit de haak slipt. Gewoonlijk een
muizing genoemd.
~
bekbok:
1> houten vaartuig voor het transport van koeien. Lengte circa 10 meter, breedte circa 2,4 meter. Voluit
Warmondse bekbok geheten. Plaatselijk ook een
veeschuit of
koeienschouw genoemd.
De Warmondse bekbok lijkt veel op de gewone Warmondse bok en andere Hollandse bokken, maar heeft een afwijkend voorschip. Over de laatste twee meter buigt het vlak van de bekbok omhoog terwijl de zijdes een weinig naar binnen buigen. Hierdoor ontstaat aan de voorzijde van de romp een opening van ongeveer 30 cm hoog en 80 cm breed. De opening ligt ver boven de waterlijn. Wanneer het schip haaks op de oever van de weilanden ligplaats kiest, ligt de opening boven het land en kunnen de koeien via een houten brug aan boord lopen. Er was in de omgeving van Leiden ook een veeschouw die een dergelijk systeem kende.
2>
stalen gemotoriseerde opvolger van de houten bekbok. Wat betreft het voorschip ongeveer gelijk maar verder meer gelijkend op een
motorpakschuit. Afmetingen ca. 14 meter lang, 2,5 meter breed en 50 centimeter diepgang.[
Foto verslag] Mogelijk ook
motorveepakschuit genoemd.
De stalen schepen werden ondermeer te Leiden, Alphen en De Kaag gebouwd. Vermoedelijk eerst nog met een achterschip zoals een Hollandse bok, later met het geveegde achterschip als van motorschepen. De schepen hadden geen gangboorden. De opening in het voorschip kon met een los stalen of houten schot gesloten worden.
Mocht U nadere informatie en vooral ook duidelijk foto's van dit soort schepen hebben; ik houd mij aanbevolen.
~
bekboord:
korte doch erg breed beginnende
insteker. Zie bij
bekkeboord.
~
bekerelevator:
machine om de
lading uit het
ruim van een schip over te brengen op de
wal of in een ander schip, waarbij gebruik gemaakt wordt van een mechanische jacobsladder uitgerust met bekers, emmers. Meestal in gebruik als
bunkermachine. Tegenwoordig ook
scheepslosser genoemd. Zie ook
elevatortransporteur.
~
bekgaal:
het netwerk langs de opening van een
kuilnet.
~
bekisting:
wand van houten schotten, bij een enkeling zelfs bakstenen muren, die tijdens de tweede wereldoorlog rond stuurhut (en eventueel ook rond de roef) geplaatst werden om de inslag van kogels en granaatscherven te dempen.
~
bekkeboord:
korte brede wigvormige
gang. Een
insteker. Die vanaf de
stevenbalk de ruimte tussen de buitenrand van het
vlak en de onderste doorlopende
kimgang/kimboord vult. Ook
bekboord genoemd en onder andere te vinden bij het scheepstype
Hengst.
Bron: Ronde en platbodem jachten. T. Huitema, J. Beylen.
~
bekken:
een dwars op het schip gerichte stroming corrigeren door schuin tegen de stroomrichting in te varen.
Vroeger ook van toepassing op schuin tegen de wind in varen.
Bronnen: Nicolaas Witsen, Aeloude en hedendaegsche Scheepsbouw en bestier 1671. | Johan Hendrik van Dale, Van Dale's groot woordenboek der Nederlandsche taal. Nijhoff, Sijthoff, 1914.
Zie ook
wraakhoek,
opsteken,
opsturen en
tegensturen
.
~
bekklamp:
een
kruisklamp met maar één uitsteeksel een zogenaamde
halve klamp. Een enkele maal schijnt men er echter een 'gewone'
kikker mee te bedoelen.
~
bekleden:
1> een voorwerp met (
zeildoek en) dun
touw of dun staaldraad bedekken. Ook bekend als
woelen,
bewoelen,
garneren, en kleden.
a> Voornamelijk toegepast bij
splitsen in
staaldraad of
Herculestouw om de splits tegen
inwateren te beschermen.
De tieren worden daartoe eerst met dun touw gevuld, getrenst, deze worden met een bindsel vastgezet. Vervolgens wordt het geheel met een strook zeildoek omwikkeld, gesmart. Dit wordt met een aantal marlsteken vastgezet. Het geheel wordt tenslotte met dun touw of staaldraad omwikkeld.
Het spreekt voor zich dat tussen elke handeling het nodige gedaan wordt om het indringen van vocht te voorkomen. Hiervoor gebruikte men ondermeer zwaar vet, teer en/of loodwit.
Herculestouw wordt bekleed met touw schiemansgaren, staaldraad behoort met bindseldraad omwikkeld te worden.
Om de omwikkeling goed strak rond de splits te kunnen leggen, maakt men gebruik van een
kleedkuil,
draaier,
kleedspaan,
draaistok of wat inventieve geesten er nog meer voor verzonnen hebben.
Wanneer de bekleding gereed is wordt deze met lijnolie of verf waterdicht gemaakt.
Alleen stagen en soms ook staaldraadvallen worden bekleed. Hijsdraden e.d. niet.
- Bron o.a.: Kaj Lund. Het werken met touw en staaldraad. Hollandia, Baarn, 1976.
b>
Voornamelijk toegepast op harde voorwerpen; voor het mooi, voor een beter houvast, als bescherming tegen slijtage of stoten, enz. De bekleding kan in dit geval bestaan uit een eenvoudige omwikkeling met touw, dat naderhand meestal geschilderd wordt; of uit
varkensruggen,
katnings, al dan niet afgewisseld met
turkse knopen.
Bron o.a.: Kaj Lund. Creatief met touw. Hollandia, Baarn, 1977.
2> het met koper bekleden van de huid. Zie
koperen.
3> verouderde term voor het aanbrengen van de
huid, de
huidgangen, de bekleeddelen, van het schip.
Gevonden in: Handleiding tot den Burgerlijken Scheepsbouw door F.N. van Loon Workum 1838.
~
bekleder:
onder Zuiderzeevissers gebruikte variant op de
kleedkuil.
De bekleder bestaat uit een stuk hout met daar in een groef waarin het te bekleden touw past. Op het hout is een constructie gemaakt die als handgreep dient en waarin een haspel met schiemansgaren is opgenomen. Het schiemansgaren wordt door een gat die uitkomt in de groef naar het bekleden touw geleid. Een dergelijk instrument is ondermeer afgebeeld in P. Dorleijn's Bouw van een Botter.
~
bekleding:
het resultaat van het
bekleden. Zie ook
woeling.
~
bekleeddeel:
datgene waarmee het schip bekleed wordt; de
huidgangen.
Verouderde term. Gevonden in: Handleiding tot den Burgerlijken Scheepsbouw door F.N. van Loon Workum 1838.
~
beknijpen:
men spreekt van beknijpen, als het gedeelte van het
touw waar veel spanning op staat, een ander gedeelte van het touw, het losse uiteinde bijv., vastklemt.
Bron o.a.: Kaj Lund. Het werken met touw en staaldraad. Hollandia, Baarn, 1976. | Johan Hendrik van Dale, Van Dale's groot woordenboek der Nederlandsche taal. Nijhoff, Sijthoff, 1914. Via Delpher.nl
~
bekwaamheidsgetuigschrift:
diploma waarover men (of alleen de dames?) in België diende te beschikken om als matroos aan boord van een schip aangemerkt te kunnen worden.
Bron: schipper S. Hameete.
~
bekwijdte:
de grootte van de opening van een
dwarskuil. Deze werd gemeten door de totale lengte van de
repen langs de omtrek te meten. Zie ook links:
Diverse termen inzake het vistuig.
Bron: Peter Dorleijn, Van gaand en staand want, deel 2. Marken, Uitg. Van Kampen & zn, 1982.
~
bel:
luidbel waarmee geluidssignalen gegeven kunnen worden. Zie
scheepsbel.
~
belaadbaarheid:
het totaal gewicht der lading wat het schip mag vervoeren.
Genoemd in Staatsblad nr 52 van 1849.
~
beladen:
1> (volt.deelw.)
lading aan
boord hebben.
2> (w.w.) lading aan boord brengen.
~
belading:
het resultaat van het
laden.
BELADING OP LIGGEN OF VAREN
: overeenkomst tussen
bevrachter en
vervoerder waarbij wel tarieven en conditiën afgesproken zijn, maar niet of men of men alleen voor opslag of alleen voor vervoer gebruikt zal gaan worden; dat bepaalt de bevrachter pas na belading.
Bron: Liggen en/of varen en laad-, los- en overligdagen, Mr. W.A.C. van Dam, Uitgeverij D. Brouwer & zn. Rotterdam 1930, via Delpher.nl
~
beladingsmeter:
(electronisch) systeem waarmee de hoeveelheid
lading, die in het schip zit of gekomen is, gemeten kan worden. Ook
ladingmeter genoemd.
Bron: o.a. vlootschouw.nl/schip/sirius/
~
beladingstoestand:
1> de toestand of wijze waarop de
lading in het
schip aanwezig is.
2> de manier waarop het schip in het water ligt:
koplastig,
achterlastig, met een beetje
slagzij,
doorliggend,
opliggen,
diepgaand,
vlotgaand, enz. enz,
~
belanden:
ergens (tegen een oever) terechtkomen.
~
Bélandre:
houten vrachtschip. Andere schrijfwijze van
Bijlander.
~
belboei:
boei voorzien van een luidbel, waarvan de klepel(s) of hamer(s) motorisch of door de beweging van de boei bewogen worden. [Links:
Diverse termen inzake de bebakening]
Bron o.a.: A. Dolfin, Handboek voor de binnenvaart. Uitg. Born, Assen. 1946.
~
beleggen:
een
staaldraad of
touw op een bepaalde manier rond een
bolder,
kikker,
korvijnagel, e.d. leggen (en vervolgens vastzetten). Zie ook
seizen.
Bron: Johan Hendrik van Dale, Van Dale's groot woordenboek der Nederlandsche taal. Nijhoff, Sijthoff, 1914. Via Delpher.nl
~
beleghout:
stuk hout waarop men een touw kan vastzetten; een
kruisklamp.
De term lijkt alleen in woordenboeken en aanverwanten voor te komen.
- Bron: Johan Hendrik van Dale, Van Dale's groot woordenboek der Nederlandsche taal. Nijhoff, Sijthoff, 1914. Via Delpher.nl
~
belegklamp:
1> constructie die aangebracht is om een touw op te kunnen
beleggen. Ook
klamp,
kikker of
kruisklamp genoemd.
Bron: Johan Hendrik van Dale, Van Dale's groot woordenboek der Nederlandsche taal. Nijhoff, Sijthoff, 1914. Via Delpher.nl
- Op grotere schepen gebruikte men voor het zware werk soms twee, naast elkaar geplaatste, zware klampen waardoor een zwaar dwarshout gestoken was. Men krijgt dan meer het idee van een (sleep)beting.
2> klos met één uitstulping waarop een val belegd kan worden. Zie ook
halve klamp.
~
belegkruis:
aan of rond de
mantel/schinkel bevestigde houten of metalen dwarsstuk waarop men een touw kan
beleggen. [
Afbeelding]
Naar het schijnt werden belegkruizen toegepast op de bakstagtalies, maar op oude illustraties treft men ze zelden aan en is de bakstagloper meestal op een kikker, die aan het bovenboord gezet is belegd.
~
belegslag:
bocht met een
eind touw ergens omheen gemaakt om het vast te kunnen zetten.
Mogelijk bedoelt men een
rondtorn, een
contra-rondtorn of een
voorslag.
Bron: Johan Hendrik van Dale, Van Dale's groot woordenboek der Nederlandsche taal. Nijhoff, Sijthoff, 1914. Via Delpher.nl
~
belegspiegel:
deel van de achterkant van een vaartuig, de
spiegel, gevormd door opgebrachte houten delen de
belegstukken. Ook
schandspiegel genoemd.
Dit soort spiegels waren meestal versierd/geschilderd en kwamen ondermeer op speel- en transportjachten voor.
~
belegstuk:
extra laag van dunne houten delen. Zie ook
belegspiegel.
~
Belgische boot:
:
andere naam voor zowel de
Brabantse boot als ook voor de
Scheldejol. Ook
Belse boot genoemd.
~
Belgische Botter:
type
Botter, met een breed
boeisel en hoger voller
achterschip. Alleen voor het vervoer van vis gebruikt. Een zogenaamde
koopschuit. Ook bekend als
Botter van Baasrode.
Belgische botters werden in Vlaanderen ook wel
palingbotter genoemd.
Voorkomende maat volgens G.J. Schutten blz.436 circa 18 bij 5,5 meter. Het is niet gezegd dat alle Belgische botters, laat staan alle palingbotters, te Baasrode gebouwd zijn of het te Baasrode gebruikelijke model hebben.
De vermelding 'Botter van Baasrode' werd gevonden bij G.J. Schutten.
~
Belgische klink(nagel):
naar men beweert een
klinknagel met een mooie bolle kop.
Op de Nederlandse schepen vindt men aan de binnenzijde meestal conische klinkkoppen. Alleen in de weinige gevallen dat klinkkoppen in het zicht komen past men bolvormige koppen toe. In België schijnt het vaker de gewoonte te zijn bolle koppen te slaan.
~
Belgische klipper:
sterk op de gewone
klipper gelijkend vaartuig, maar toch voor de kenners, net als de Belgische klipperaak, duidelijk herkenbaar aan de markant vormgegeven
kop en
kont. Net als in Nederland werden ook in Vlaanderen klippers in diverse soorten en maten gebouwd. Plaatselijk sprak men soms echter van
klipperaken in plaats van klippers. Kleine klippers werden ondermeer gebouwd voor het
lichten van zeeschepen die de Rupel op wilden. Ze werden
Rupel aakjes genoemd.
Zie ook
eenmastrivierklipper.
~
Belgische klipperaak:
sterk op de gewone
klipperaak gelijkend vaartuig echter veel rechter van bouw.
De Belgische klipperaak heeft (meestal) echte vierkante kimmen en vlakke rechte zijdes. Ze vertonen meestal weinig zeeg en hebben een erg volle ronde kont. Een stevige bergplaat ontbreekt meestal, de steven valt iets voorover en het neusje steekt wat sterk vooruit en omhoog.
~
Belgische lak:
naar eigen inzicht samengesteld mengsel ter conservering van metaal e.d. Zie bij
lak.
~
Belgisch luik:
dwarsscheeps gebogen
luik als afdekking van een ruim, waarbij elk luik de gehele breedte overspant. [
Afbeeldingen]
Tot in de 19de eeuw was dit model luiken ook in Nederland gebruikelijk, maar werd uiteindelijk, wat de houten luiken aangaat, bijna geheel verdrongen door de
Friese luikenkap.
Belgische luiken waren oorspronkelijk van hout. Een drietal gebogen balkjes, de laanstokken, met daar dwars over een groot aantal korte planken. De naden tussen de plankjes werd met presenningen gedicht. Begin 20ste eeuw werden de houten luiken verdrongen door stalen. Eerst bestonden deze uit een staalplaat, die met hoeklijntjes in model gebracht en gehouden werd, later werden de platen, compleet met omgezette randen en verstevigings ribbels, in model geperst. De laatste ontwikkeling is de toepassing rondgebogen van aluminium golfplaat of damwandprofiel.
Naar men zegt bestonden er schepen met een gedeelde kap, dus met halve luiken. Deze luiken konden in tegenstelling tot de gewone luiken wel door één man gehanteerd worden.
Gerelateerde termen
oosbert,
oorbert,
gebroken
bert,
luikplank,
tengel,
presenning.
~
Belgische luikenkap:
een
luikenkap met gebogen luiken die de volle breedte van het
ruim overspannen. Zie verder bij
Belgische luiken.
~
Belgische motor:
op een
Luxe-motor gelijkend
vrachtschip van Belgische herkomst. Zie verder bij
Belze motor.
~
Belgische putter/puts:
rubberen emmer aangegoten oren waaraan het hengsel met een touw bevestigd is. Zie verder bij
puts.
~
Belgische schippersboot:
op de
Beenhakker gelijkende
bijboot. Zie verder bij
turry.
Gerelateerde termen:
Schippersboot,
Belgische boot.
~
Belgische stuurhut:
geen vast omlijnd begrip. Bepaalde mensen noemen zekere, veel op een
Spitsen aanwezige,
stuurhutten een Belgische stuurhut of een
Belze stuurhut.
Men kent ondermeer
- stuurhutten met langs de onderzijde van de ramen twee of drie kleinere ruitjes, vaak voorzien van gekleurd motief glas.
- (
woon)stuurhutten met aan voor of achterzijde een zeer royaal afdak.
- een gedekte of gesloten
stuurstand met een zeer royaal afdak aan de achterzijde. Mogelijk ook Bels stuurhutje genoemd.
- stuurhutten met ramen waarvan de boven- en onderzijde rond staan.
~
Belgische spits:
type vrachtschip van ca. 36 x 5,05 meter. Zie verder bij
Spits.
~
Bellay:
fabrikant van gasgeneratoren (met dwarsvergassing).
Bron: Oliemotoren voor de Binnenvaart, Hun aanpassing aan gasvormige brandstof en Gasgeneratoren door C. Noorlander, Born's Uitgeversbedrijf N.V. Assen 1944.
~
Bellay-koeler:
onderdeel gasgenerator: droge gaskoeler, waarbij het gas door, met water omgeven pijpen, stroomt.
Bron: Oliemotoren voor de Binnenvaart, Hun aanpassing aan gasvormige brandstof en Gasgeneratoren door C. Noorlander, Born's Uitgeversbedrijf N.V. Assen 1944.
~
belleëind:
eindje touw, reep leer of een knoopwerkje aan de
scheepsbel. Ook geschreven als
belleneind. Hiertoe behoort ook het zogenaamde
allemanseind.
~
bellen:
de
scheepsbel luiden.
De term is voornamelijk van toepassing op de Rijnvaart waar tussen de ten anker gekomen schepen door middel van klokslagen werd gecommuniceerd. Zie ook het verhaal Rijnsleepvaart.
~
belleneind:
eindje touw, reep leer of een knoopwerkje aan de
scheepsbel. Ook geschreven als
belleëind. Hiertoe behoort ook het zogenaamde
allemanseind.
~
bellengordijn:
door middel van een dwars over de bodem liggende, geperforeerde pijp, waarin lucht geperst wordt, opgewekt 'scherm' van kleine luchtbellen, waarmee men tracht vermenging van het water aan de ene kant van het gordijn, met water aan de andere kant van het gordijn, te voorkomen. Gebruikt als
zoutwaterkering en bij baggerwerkzaamheden.
~
belletouw:
eindje touw of een knoopwerkje aan de
scheepsbel. Ook
belletouwtje of
bellentouwtje genoemd. Vroeger ook
klokreep genoemd. Hiertoe behoort ook het zogenaamde
allemanseind.
~
beloodsen:
een
schipper behulpzaam zijn bij het vinden van de juiste
vaarroute.
~
beloodsing:
de daad van het
beloodsen.
~
beloop:
de wijze, het model, waarnaar het schip gevormd is.
~
belopen:
1> HET KUNNEN BELOPEN
: er in een rechte lijn naartoe kunnen
varen.
Gerelateerde term:
bezeilen.
2> sneller varen dan de voorganger. Zie ook
oplopen.
Bijvoorbeeld in: iemand belopen.
In die zin eigenlijk ook: door een bui belopen worden: een bui niet voor kunnen blijven of niet kunnen ontzeilen.
~
Belse boot:
bijboot van het type
Brabantse boot of
Scheldejol.
~
belslag:
het geluid van de (scheeps)bel. Meestal
klokslag genoemd.
~
Beltiger bonpunter:
Beltiger punter met een bun. (In NW-overijssel spreekt men blijkbaar van 'bon' i.p.v. 'bun'.) De bun was ca. 60cm lang, die van de
Giethoornse punter iets meer dan negentig.
~
Beltiger punter:
sterk op de
Giethoornse punter gelijkend scheepje, dat ten
zuiden van Giethoorn in gebruik was. Volgens sommige bronnen zou deze punter kleiner zijn dan de Giethoornse.
G.J. Schutten geeft als opvallendste verschil echter de ca. 12 cm hogere voorsteven en het daarmee gepaard gaande hogere voorschip. Ook zou de Beltiger punter uitrust zijn met een stel roeidollen.
Ook de Beltiger punter kende, net zoals de Giethoornse een variant met bun: de
Beltiger bonpunter.
~
beltopschoorsteen:
bepaald type schoorsteen op stoomschepen. Nadere gegevens ontbreken.
~
Beltvaarder:
1> binnenvaartschip dat in de
Beltvaart actief is. Voor zover bekend niet afwijkend van de andere
binnen-buitenschepen die naar de wateren bij de Oostzee voeren.
2> de
schipper op een dergelijk schip.
~
Beltvaart:
de scheepvaart tussen Nederland en de Deense oostkust.
Deze term heeft, voor zover ik weet, vrijwel uitsluitend betrekking op de vaart met binnenvaartschepen vanuit Nederland, door het Noord-Oostzeekanaal naar de Deense kust. Zie ook ommelandvaart.
~
Belttjalk:
verzinsel uit de tweede helft van de twintigste eeuw waarmee bepaalde, in de ogen van de eigenaren
zeewaardige,
tjalken aangeduid werden.
~
beluchting:
opening die een afgesloten ruimte met de buitenlucht verbindt. Zie verder bij
ontluchting.
~
Belze motor:
1> op een
Luxe-motor gelijkend
vrachtschip van Belgische herkomst. Meestal slechts weinig afwijkend van de Nederlandse Luxe-motor. Ook
Belgische motor genoemd.
2>
houten, later stalen motorvrachtschip, met steile
steven en zwak
geveegd (weinig behaald)
achterschip. De houten exemplaren maten 23 x 4,5 meter en hadden een diepgang van ca. 1,5 meter. Woonruimte was onder het verhoogde
voordek, achterop was een
paviljoen en een kleine opbouw voor de machinekamer. Ze werden ondermeer voor het vervoer van beer gebruikt. De latere ijzeren en stalen exemplaren kregen, naar men vertelt, meer de kenmerken van de Nederlandse Luxe-motor en het motorscheepje.
~
Belze stuurhut:
een model
stuurhut zoals men ze nog al eens vaak op Belgische schepen zoals de
spits, aantrof.
~
Belzenschip:
in sommige kringen de naam voor vrachtschepen die bij Belgische schippers een tijd populair geweest zijn. De schepen maten circa 73 bij 8,2 meter en hadden een laadvermogen van circa 1000 ton,.
Sitemap
© 1997-heden; Pieter Klein, Amsterdam of de rechthebbenden van de opgenomen tekst- en afbeeldingsbestanden
De rechthebbenden kunnen niet aansprakelijk gesteld worden voor de gevolgen van het gebruik van deze site,
noch voor de gevolgen van het gebruik van de in deze site opgenomen links!
Deze site gebruikt cookies!
Zonder toestemming vooraf, is gehele of gedeeltelijke overname van enig deel uit 'Binnenvaarttaal' verboden!
Veel inzenders zullen echter een verzoek tot het (her)gebruik van het getoonde materiaal inwilligen. (meer informatie)
Kopieën naar Facebook, Pinterest, en andere doorgeefluiken zijn echter niet toegestaan!
Deze site is geoptimaliseerd voor een resolutie van 1024x768 px.,
U wordt verzocht eventuele gebreken te
melden!
(meer informatie)
Mijn dank gaat uit naar ALLEN, die mij met deze site helpen of geholpen hebben.
Pieter Klein:
Redacteur, auteur, ontwerper en webmaster.